Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

VAN DE TIENDCOMMISSIËN EN DE SCHATTINGSCOMMISSIËN.

Abt. 18. Voor elke provincie, hetzij afzonderlijk of te zamen met een of meer anderen, wordt door Ons eene Tiendcommissie ingesteld, bestaande uit vijf vaste leden, waaronder een voorzitter, en uit drie plaatsvervangende leden, die allen, door Ons benoemd, zich bij het volbrengen der aan hen bij deze wet opgedragen taak zullen hebben te richten naar de regelen, welke hun daaromtrent door Onze Ministers van W. H en N. en van Financiën nader zullen zijn te stellen, en behalve op eigen verzoek, door Ons bij een met redenen omkleed besluit kunnen worden ontslagen.

Die regelen zullen ook de voorwaarden aanwijzen, waaronder het aan eenige Tiendcommissie zal vrijstaan, uit eene door den voorzitter op te maken voordracht van drie personen, zich eenen vasten secretaris aan te stellen.

Art. 19. De taak der Tiendcommissiën bestaat over het algemeen in het leiden of verrichten der werkzaamheden, welke ter uitvoering van het bepaalde bij deze wet vereischt, worden.

Meer bepaaldelijk zijn zij belast :

a met het onderzoek naar de juistheid deiopgaven van hen die, als tot dusver gerechtigd tot eenigen tiend, op schadeloosstelling krachtens de bepalingen dezer wet aanspraak meenen te kunnen maken, zoomede van hen, die,als belanghebbenden bij den rechtstoestand van eenig in die opgaven als tot dusver tiendplichtig vermeld perceel, naar aanleiding dier opgaven eene memorie hebben ingeleverd als bedoeld in art. 34;

b met het nemen van een besluit omtrent de geldigheid, den aard en den omvang der tienden, wegens wier opheffing door het in werking treden dezer wet, aanspraak op schadeloosstelling is gemaakt;

c met het vaststellen der bedragen zoowel van de schadeloosstelling, toekomende aan hen, wier tiendgereclitigdheid door deze wet is opgeheven, als van de grondrente, welke uit de bij deze wet van tiendplicht ontlaste kadastrale perceelen voortaan aan het Rijk zal zijn verschuldigd.

Alvorens hunne taak te aanvaarden, leggen de vaste en de plaatsvervangende leden eener Tiendcommissie, in handen van Onzen Commissaris in een der provinciën voor welke die commissie is ingesteld, de belofte af, dat zij de werkzaamheden aan hunne betrekking veibonden, naar plicht en geweten, nauwgezet en onpartijdig zullen vervullen. Deze belofte treedt voor den ambtseed in de plaats.

Sluiten