Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 20. Door Onze Ministers van W. II. en N. en van Financiën worden, na verhoor der Tiendcommissiën, de noodige schattingsdistricten aangewezen.

Voor elk schattingsdistrict wordt eene Schattingscommissie ingesteld, bestaande uit drie vaste en drie plaatsvervangende leden, van welke zullen worden benoemd: één vast en één plaatsvervangend lid — aan wien tevens het voorzitterschap zal zijn opgedragen — dooide Tiendcommissie, één vast en één plaatsvervangend lid door Ged. Staten der provincie, en één vast lid en één plaatsvervangend lid door de Rechtbank, binnen wier gebieden het schattingsdistrict of het grootste deel er van ligt.

De vaste en de plaatsvervangende leden kunnen hetzij op eigen verzoek, hetzij op voorstel der Tiendcommissie voor die provincie, waarin hun ambtsgebied of het grootste deel er van is gelegen, worden ontslagen door het college, dat hen heeft benoemd.

Zij leggen, alvorens hunne taak te aanvaarden, in handen van den kantonrechter hunner woonplaats, de belofte af, dat zij de werkzaamheden aan hunne betrekking verbonden, naar plicht en geweten, nauwgezet en onpartijdig zullen vervullen. Deze belofte treedt voor den ambtseed in de plaats.

Art. 21. De taak der Schattingscommissiën bestaat vooreerst in het ordenen, vervolledigen en beoordeelen der haar door de Tiendcommissiën verstrekte gegevens ter bepaling van de zuivere opbrengst in geld, welke van de krachtens art. 1 opgeheven tienden, met betrekking tot ieder daarmee tot dusver belast kadastraal perceel, gemiddeld jaarlijks anders nog ware te verwachten.

Behoudens de mogelijkheid van hooger beroep, zal, ter uitvoering van het bepaalde onder a van art. 5, door hanr vervolgens een besluit moeten genomen worden omtrent de vraag, hoeveel, over de laatste 15 aan de invoering dezer wet voorafgegane jaren, de gemiddeldjaarlijksche, zuivere opbrengst in geld heeft bedragen, welke uit perceelen, behoorende tot zoodanig complex, als waarvan de tiend in die jaren als één geheel placht te worden verpacht, door den tiendgerechtigde is genoten.

Op grond van hetgeen haar omtrent een en ander is gebleken, zullen zij voorts — behoudens de mogelijkheid van hooger beroep — voor ieder perceel, dat is bevonden door het in werking treden dezer wet van eenigen tiendlast te zijn bevrijd, hebben uittemaken: a hoeveel in hoofdsom de schadeloosstelling bedraagt, welke deswege door het Rgk zal zijn uittekeeren;

b of dit perceel moet geacht worden, gedurende de laatste dertig aan het in werking treden dezer wet voorafgegane jaren, nimmer

Sluiten