Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woonplaats, bij aangeteekenden brief tijdig te voren medegedeeld.

Art. 52. Voor perceelen, van welke het is gebleken dat zij, in één of meer der laatste 15 aan de invoering dezer wet voorafgegane jaren, hebben bijgedragen tot de tiendopbrengst van zoodanig complex, als waarvan de tiend in die jaren als één geheel placht te worden verpacht, zal door de Schattingscommissie in de eerste plaats moeten worden uitgemaakt, welke geldsom, overeenkomstig het bepaalde onder a van art. 5, als de gemiddeldjaarlijksche, zuivere tiendopbrengst van die perceelen te zamen, tot grondslag van berekening behoort te worden genomen bij het bepalen der van elk dezer perceelen afzonderlijk, gemiddeld jaarlijks, anders nog te verwachten tiendopbrengst.

Behooren die perceelen tot het gebied van meer dan eene Schattingscommissie, dan zal door de Tiendcommissie, welke aan het bepaalde bij art. 50 uitvoering heeft te geven, worden aangewezen, binnen welk schattingsdistrict het geheele in het vorig lid bedoelde pachtcomplex, voor de toepassing dezer wet zal worden aangemerkt alleen en uitsluitend te zijn gelegen.

Art. 53. Binnen 14 dagen nadat door de Schattingscommissie het besluit is genomen, waarbij, ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid van het vorig aitikel, de gemiddeld-jaarlijksche, zuivere tiendopbrengst der aldaar bedoelde perceelen te zamen werd vastgesteld, deelt zij bij aangeteekenden brief den inhoud daarvan mede:

1° aan dengene, die van het aldus verpachte recht tot tiendheffing de in art. 2(5 bedoelde aangifte deed;

2° aan de belanghebbenden bij de perceelen, waaromtrent bij voormeld besluit is aangenomen dat zij tot bovenbedoelde tiendopbrengst hebben bijgedragen, voor zooverre door hen, binnen den termijn in art. 33 gesteld, nopens de zuivere opbrengst in geld, welke van het onder 1° bedoelde recht tot tiendhefflng, gemiddeld jaarlijks, anders nog ware te verwachten, bij den voorzitter der Tiendcommissie is ingeleverd eenige memorie als bedoeld in art. 34;

3° aan ieder, door wien met betrekking tot de schadeloosstelling, welke wegens de opheffing van het onder 1° bedoelde recht tot tiendhefflng door het R;jk zal zijn uit te keeren, het onder b van art. 67 bedoelde verzet gedaan, of het onder c van evengenoemd artikel bedoelde beslag gelegd is.

Voorzooverre de aangeteekende brieven, in het vorig lid bedoeld, niet binnen 8 dagen door of namens de geadresseerden mochten

Sluiten