Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 62. Naar mate het onderzoek der Commissie van Beroep deze heeft geleid tot een oordeel omtrent de gegrondheid der bezwaren, welke ingevolge art. 59 tegen de besluiten der Schattingscommissiën zijn aangevoerd, stelt zij voor elk der perceelen, waarop die besluiten betrekking hebben, onder bevestiging of verbetering van deze, het bedrag der in hoofdsom uittekeeren schadeloosstelling vast en geeft van hare uitspraak, waartegen geene verdere voorziening is toegelaten, kennis aan den voorzitter der Tiendcommissie, bij wien de bezwaren zijn ingebracht, die daarvan mededeeling doet aan olk der in het eerste lid van art. 58 onder 1° tot en met 5° bedoelde personen.

HOOFDSTUK VI.

VAN HET VASTSTELLEN DER SCHADELOOSSTELLING EN DER GRONDRENTE.

Art. 63. Voor elk recht tot tiendheffing, dat is bevonden door het in werking treden dezer wet te zijn vervallen, wordt door de Tiendcommissie, bij welke daarvan aangifte is gedaan, een naar de aanwijzingen van Onze Ministers van W. H. en N. en van Financiën ingerichte staat aangelegd en geregeld bijgehouden, waarin, op grond der bij haar ingekomen uitspraken van de Schattingscommissiën of van de Commissiën van Beroep, voor elk kadastraal perceel dat is gebleken door het in werking treden dezer wet van voormelde tiendplichtigheid ontlast te zijn, wordt samengevat en vastgesteld:

a. het bedrag der deswege in hoofdsom uittekeeren schadeloosstelling, met vermelding van den dag, sinds welken — hetzij door het. enkel verloop van den bij art. 59 gestelden termijn, zonder dat eenig bezwaarschrift tegen het daaromtrent uitgesproken oordeel der Schattingscommissie is ingediend, hetzij door de uitspraak der Commissie van Beroep — het bedrag daarvan vast staat;

b. of dit perceel moet geacht worden, gedurende de laatste dertig aan het in werking treden dezer wet voorafgegane jaren, nimmer tot het kweeken van eenige akker- of tuinvrucht te zijn aangewend ;

c. van welk tijdstip af, de voor dit perceel verschuldigde schadeloosstelling, ingevolge het bepaalde in art. 11, opeischbaar zal zijn;

d. het volledig bedrag van hetgeen voor dit perceel mitsdien, aan hoofdsom en rente, als schadeloosstelling zal zijn uittekeeren;

e. het bedrag der grondrente, welke op grond van een en ander, van dit perceel voortaan aan het Rijk zal zijn verschuldigd.

Sluiten