Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier te lande gegolden hebbende tiendplichtigheid voor het vervolg meent te moeten ontzeggen, daar zal hij zich als fiscus tevens aansprakelijk hebben te stellen voor de geldelijke schade, te lijden door hen, aan wier vermogen de bestaande rechten tot tiendheffing dientengevolge komen te ontvallen. En daar zal hij tegelijkertijd de van allen verderen tiendlast wettelijk ontheven gronden dienen te belasten met den plicht tot dekking deivoor hem, als fiscus, daaruit voortgevloeide kosten, natuurlijk zonder dat door het vervullen van dien plicht de nadeelen der tiendplichtigheid, voor de daarmee tot dusver belaste gronden, feitelijk zouden bestendigd worden.

Aard en strekking van de taak der met de uitvoering dezer wet belaste colleges.

Het is deze hierboven ontwikkelde gedachtengang, welke kortelijk is samengevat in de aan het geheele Ontwerp vooropgestelde bepaling van art. 1, dat iedere bij het in werking treden der wet nog bestaande tiendplichtigheid verklaart te zijn opgeheven en vervangen door eene grondrente ten behoeve van den Staat, die deswege de tot tiendheffing gerechtigden heeft schadeloos te stellen. Belangrijk zün de gevolgtrekkingen, die voor den verderen opzet van het geheele wetsontwerp uit de aldus omschreven aard en strekking daarvan zijn af te leiden.

Waar toch aan de rechtsgeldigheid van alle tiendheffing door de wet in het vervolg voor goed een eind wordt gemaakt, en zoowel de gehoudenheid van den Staat tot schadeloosstelling der voormalige tiendgerechtigden, als de aan den Staat verschuldigde grondrenten ten laste der van iederen tiendplicht voortaan ontheven perceelen enkel gegrond zijn op de voorschriften, welke bij diezelfde wet zijn gesteld, ten einde de wettelijke afschaffing van alle nog bestaande tienden niet op onbillijkheden te doen uitloopen, daar is het duidelijk dat de verschillende aan die voorschriften ontleende rechten en verplichtingen rechtsverhoudingen vormen, die allen slechts uit deze wet zijn voortgevloeid en alzoo niet van privaat- maar van publiekrechtelijken of administratieven aard zijn te achten.

Hieruit volgt dat de twijfelvragen en geschillen, welke omtrent de uitvoering dezer wet tusschen de daarmee belaste colleges eenerzijds en de verschillende belanghebbenden anderzijds mochten oprijzen, in de eerste plaats ontegenzeggelijk van administratiefrechtelijken aard zijn en dan ook allen zullen staan ter aanvankelijke beantwoording en oplossing van hen, aan wie bij deze wet de uitvoering harer bepalingen is opgedragen.

De voornaamste vragen nu, welke zich daarbij zullen voordoen, zijn:

Sluiten