Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49, ten deele ook in de artikelen van Hoofdstuk VII.

Bij het stellen der in laatstgenoemd Hoofdstuk bijeengebrachte regelen omtrent,, de rechten van derden" ging het Ontwerp uit van de gedachte dat de onzekerheid omtrent de vraag, wie bij het in werking treden der wet hier te lande nog tot eenige tiendheffing gerechtigd waren en welke personen mitsdien op het geheel of een deel der van rijkswege uittekeeren schadeloosstelling aanspraak konden maken, • geenszins in den weg behoeft te staan aan het perceelsgewijze vaststellen der onderscheidene bedragen, welke deswege eenerzijds door den Staat te betalen, anderzijds als grondrente aan den Staat optebrengen zouden zijn.

Want voorzooverre die onzekerheid nog niet opgeheven mocht wezen nadat de verschillende door den Staat als schadeloosstelling verschuldigde bedragen zijn vastgesteld, zal tot uitkeering daarvan aan de daartoe gerechtigden, wel is waar eerst dan kunnen worden overgegaan, wanneer omtrent de daarop geldend gemaakte tegenstrijdige aanspraken óf minnelijke overeenstemming tusschen partijen óf eene rechterlijke beslissing is verkregen. Doch dit belet niet dat de Staat zich door consignatie dezer bedragen, op den gewonen in art. 11 hiervoor gestelden tijd, van zijne verplichting tot uitkeering daarvan kan kwijten en de deswege aan hem verschuldigde grondrente, zoodra haar bedrag op de in art. 63 bepaalde wijze is vastgesteld, te zijnen behoeve zal kunnen doen vestigen.

Geheel anders daarentegen is het gesteld zoo vaak, hetzij alleen omtrent den aard of den omvang der overigens niet ontkende tiendplichtigheid verschil bestaat, hetzij in ieder opzicht is ontkend dat bij het in werking treden der wet het recht tot tiendheffing bestond, waarvoor zij, die beweren daartoe tot dusver gerechtigd te zijn geweest, de hun toekomende schadeloosstelling verlangen.

Zoolang toch niet vaststaat 1° dat tot dusver inderdaad bestond het tiendrecht, op welks schadeloosstelling wordt aanspraak gemaakt; 2° van welken aard dit was; 3° welke perceelen door het in werking treden der wet daarvan zijn bevrijd, zou het onderzoek naar hetgeen door zoowel als aan den Staat, voor elk tot dusver tiendplichtig kadastraal perceel, krachtens deze wet verschuldigd ware, een onredelijke voorbarigheid zijn.

Vandaar dat volgens de regeling, welke in Hoofdstuk IV en V van het Ontwerp is voorgesteld, aan het eigenlijke schattingswerk der met laatstbedoeld onderzoek belaste Schattingscommissiën voorafgaan de maatregelen, welke dieneu om eerst volstrekte zekerheid

Sluiten