Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. die uitspraak voor geen andere cassatie dan die van art. 98 R. O. vatbaar zal wezen.

De hier onder a en c vermelde uitsluiting der voor burgerlijke zaken anders in den regel geopende mogelijkheid van hooger beroep en cassatie zal wel geen overwegend bezwaar opleveren. Z\j vindt hare gereede verklaring in het feit dat, zoolang de rechterlijke beslissing niet de kracht van een gewijsde heeft, met de uitvoering der wet geen verdere voortgang kan worden gemaakt, terwyl liet voor de betrouwbaarheid der inlichtingen omtrent de gemiddeld-jaarlijksche zuivere tiendopbrengst, welke in hoofdzaak toch wel door de schattingscommissiën zullen moeten worden ingewonnen, juist van het grootste belang is dat deze commissiën zoo spoedig mogelijk het hun opgedragen schattingswerk kunnen ter hand nemen.

Ten gunste der beperking van de mogelijkheid tot cassatie mag bovendien worden aangevoerd dat, sinds de invoering der wetboeken hier te lande, voorzoover bekend, geen tienden meer zijn gevestigd, zoodat de rechterlijke beslissingen omtrent de geldigheid, den aard of den omvang der ingevolge art. 26 aangegeven tiendrechten toch zelden de toepassing onzer gecodificeerde wetgeving zullen betreffen en dus — tenzij eenige vorm mocht zijn verzuimd — reeds uit dien hoofde meestal niet voor cassatie vatbaar zouden wezen.

Voor de uitsluiting van het hooger beroep pleit voorts ook de omstandigheid dat de beslissing, welke hier van den rechter verlangd wordt, in werkelijkheid niets anders is dan eene herziening van het oordeel, dat feitelijk reeds in eersten aanleg door de Tiendcommissie omtrent de geldigheid, den aard of den omvang van het beweerde tiendrecht uitgesproken werd.

Daarbij dient intusschen niet uit het oog te worden verloren dat die zooeven bedoelde uitspraak in eersten aanleg, wanneer zij eenmaal onaantastbaar is geworden door het verloop van den in art. 46 gestelden termijn zonder dat iemand tegen hare juistheid bij den burgerlijken rechter is opgekomen, eene onherroepelijke administratieve beslissing inhoudt, aan welke alle bij de uitvoering der wet belanghebbende of betrokken personen zich dan verder zullen hebben te houden.

Het ligt mitsdien voor de hand dat, zoo vaak, binnen den bovenbedoelden termijn, omtrent de juistheid dier door de Tiendcommissie in eersten aanleg genomen beslissing wel een rechterlijke uitspraak mocht worden verlangd, de uitslag van dit rechterlijk onderzoek geenszins kan beperkt blijven tot hen, die als partijen in het daartoe strekkend geding betrokken waren, maar noodzakelijk een even algemeen bindende strekking zal moeten hebben, als het besluit der Tiendcommissie,

Sluiten