Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„anders nog ware te verwachten", zooals het Ontwerp zich hier en elders uitdrukt. Niettemin is aan deze omslachtige uitdrukking de voorkeur gegeven, ten einde goed te doen uitkomen dat het bedrag der schadeloosstelling wordt bepaald, niet door de gemiddelde opbrengst in geld, welke tot dusver van eenig recht tot tiendheffing is genoten, maar door de gemiddelde opbrengst, welke anders daarvan jaarlijks in het vervolg nog zou zijn te verwachten. Want volstrekt niet altijd zal uit „hetgeen was" ook zijn op te maken „wat worden zal" in deze.

Het belang dezer onderscheiding komt vooral uit, waar het Ontwerp — in navolging van art. 800 Burgerlijk Wetboek — van het beginsel is uitgegaan, dat ook wegens de opheffing deislapende tienden althans eer.ige schadeloosstelling aan de rechthebbenden behoort te worden uitgekeerd. Want hield men zich, ter bepaling van het bedrag, dat daarvoor aan schadeloosstelling behoort te worden uitgekeerd, uitsluitend aan de gemiddelde opbrengst van het verleden, dan zou in duidelijke tegenspraak met voornoemd beginsel, ter zake van slapend tiendrecht, het Rijk juist niets hoegenaamd aan de rechthebbenden hebben te vergoeden.

Hetgeen aan het slot van dit artikel omtrent de rente is bepaald, vindt zijn rechtvaardiging in hetgeen hierboven bij art. 1 werd aangeteekend.

De bedenking zal wellicht rijzen, dat ook hetgeen als rente over het bedrag hunner schadeloosstelling den vroegeren tiendgerechtigden toekomt, toch eerst zal kunnen worden vastgesteld en uitgekeerd nadat te hunnen aanzien aan de bepalingen der wet volledige uitvoering zal zijn gegeven.

Dat hierin voor sommige personen een werkelijk niet onbeteekenend bezwaar kan zijn gelegen, valt niet te ontkennen. Men denke slechts aan de instellingen, bedoeld in art. 10, welke het kapitaal, benoodigd voor den aankoop der hun toebehoorende tienden, veelal hebben ontleend aan de uitgifte van schuldbrieven, waarvan zij de na het in werking treden der wet verschuldigde rente en aflossing dan niet meer aan de opbrengst der tienden zullen kunnen ontleenen.

Om aan het hier bedoelde bezwaar tegemoet te komen, is onder de Overgangsbepalingen het voorschrift van artikel 79 opgenomen, volgens hetwelk aan de voormalige tiendheffcrs, zoolang nog niet betaalbaar is hetgeen hun als schadeloosstelling toekomt, op rekening daarvan, door den Minister van Financiën een voorschot zal kunnen worden uitgekeerd van ten hoogste het twintigvoud der zuivere geldelijke opbrengst, door hen gemiddeld jaarlijks uit hun tiend genoten.

Sluiten