Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geldende recht vindt men echter in tweeërlei opzicht hier nader uitgewerkt en aangevuld.

Vooreerst, door de uitdrukkelijke bepaling, dat onder de twee nadeeligste jaren, welke buiten aanmerking zullen worden gelaten, in de eerste plaats zijn te begrijpen die, welke in het geheel geene tiendopbrengst hebben opgeleverd. De vraag toch zou anders kunnen l ijzen, of waar de wet, als maatstaf ter bepaling van de waarde welke aan zeker tiendrecht moet woiden toegekend, verwijst naar de gemiddelde opbrengst daarvan over de laatste 15 jaren, na aftrek zoowel van de twee voordceligste als van de twee nadeeligste, aan dit voorschrift niet de onuitgesproken vooronderstelling ten grondslag ligt, dat in elk dier jaren althans e e n i g e opbrengst door den tiendheffer van zijn recht zal zijn genoten.

Al schijnt eene toestemmende beantwoording dezer vraag op het eerste gezicht ook het meest aannemelijk, toch zal bij nadere overweging moeten worden toegegeven, dat de meest bevredigende oplossing van het bovenbedoelde punt van twijfel juist in tegenovergestelde richting is te vinden.

Al dadelijk toch moet hier worden gewezen op de techniek van het landbouwbedrijf, welke in den regel niet toelaat, dat op één en hetzelfde perceel telken jare tiendplichtige vruchten worden verbouwd. Wel verre dus Van eene onregelmatigheid te zijn, mag het bij do heffing van tiend veeleer als eene, uit den bijzonderen aard van dit recht natuurlijk voortvloeiende omstandigheid worden beschouwd, dat — hetzij dan ter wille van de braak, of wel in verband met de plaatselijk gebruikelijke vruchtwisseling — de met tiend belaste perceelen, ook bij geheel regelmatige bebouwing, den heffer in sommige jaren in het geheel geene inkomsten kunnen opleveren.

Ook verlieze mer» niet uit het oog dat het ééne, oorspronkelijk alle tiendbare vruchten omvattende heffingsrecht zich in den loop der eeuwen meestal heeft gesplitst in meerdere, op dezelfde perceelen, aan verschillende personen toebehoorendo en van slechts enkele bepaalde gewassen verschuldigde tiendrechten. Waaruit volgt dat zij, die bijv. alleen tot den tiend van hennep, vlas, koolzaad of karwij uit zeker blok gerechtigd zijn, zonder zich over ontduiking hunner rechten in eenig opzicht te kunnen beklagen, toch zeer wel in de laatste 15 aan het in werking treden der wet voorafgegane jaren, niet meer dan één- of tweemaal, eenige opbrengst van hunnen tiend kunnen genoten hebben.

Met het oog op deze laatste omstandigheid kwam het dan ook wenschelijk voor, de bjj dit artikel overgenomen regeling van het geldend recht, in de tweede plaats aan te vullen niet de aan het slot voorkomende bepaling, volgens welke de aftrek der twee voordeeligste en

Sluiten