Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikel bepaald dat, afwijkend van den regel, gestold bij art. 780 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek,' deelbaar zullen zijn de grondrenten, welke ten behoeve van het Rijk, voor de opgeheven tienden in de plaats treden.

Wel zal dit voor den Staat tot gevolg hebben dat, bij iedere splitsing van een kadastraal perceel, de hoeveelheid der aan hem verschuldigde grondrenten steeds grooter en de hoegrootheid der uit dien hoofde jaarlijks door hem 'te innen bedragen steeds kleiner wordt. Maar voor de schatkist kan daarin niet het minste bezwaar zijn gelegen. Want deze heeft van elk kadastraal perceel, hoe klein ook, toch altijd een zeker bedrag als grondbelasting te heffen. En het zal haar dus geheel onverschillig kunnen zyn, welke grootere of kleinere som als grondrente, ingevolge het bepaalde bij art. 17 van het Ontwerp, zij tegelijk met het bedrag dezer belasting, bovendien zal hebben in ontvangst te nemen.

Aiit. 15. Uitgaande van de onderstelling, dat, als schadeloosstelling wegens de opheffing der niet slapende tienden, een bedrag van omstreeks 20 millioen gulden door het Rijk zal zijn uittekeeren, en dat, tot bestrijding der overige kosten van uitvoering dezer wet - daaronder begrepen de vergoeding wegens de opheffing van het sinds meer dan 30 jaren slapende tiendrecht — nog een bedrag van 2 millioen gulden zal gevorderd worden, zoo laten de geldelijke gevolgen van den in het Ontwerp voorgestelden wettelijken maatregel zich samenvatten in hetgeen volgt.

Bij de uitgifte al pari eener 4 % leening, groot 22 millioen gulden, zal het Rijk jaarlijks aan rente een bedrag van ƒ 880,000 hebben te betalen. Ingevolge het bepaalde bij art. 12 zal aan grondrenten jaarlijks een gezamenlijk bedrag van 4Vg % over 20 millioen gulden = ƒ 900,0(0 door den Staat zijn in te vorderen. Er blijft alzoo telken jare nog een bedrag van ƒ 20,000 over tot goedmaking der kosten, aan de betaling der coupons en de inning der grondrenten verbonden.

Zoo nu echter, overeenkomstig den regel, voorkomende in het tweede lid van art. 799 Burg. Wetb., ook de tiendvervangende grondrenten, krachtens deze wet gevestigd, slechts met het twintigvoud van haar bedrag af koopbaar waren, zou uit dien hoofde niet meer dan 20 X ƒ 900,000 of wel 18 millioen gulden voor den Staat zijn te verwachten.

Van de schuld, groot 22 millioen gulden, zou dus een bedrag van 4 millioen gulden niet door den afkoopprijs der grondrenten zijn gedekt. En in de aflossing dezer overblijvende ƒ 4,000,000 zou dientengevolge door den Staat uit de gewone middelen zijn te voorzien.

De geheele maatregel zou, bij handhaving

Sluiten