Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongebouwde, en in art. 11 der wet van 2 Mei 1897, Stbl. No. 124, tot herziening der belastbare opbrengst van het gebouwde.

Art. 26 eerste lid. Tot het doen der aangifte, in dit artikel bedoeld, wordt aan hen, wier tiendrecht door het in werking treden der wet is opgeheven, een termijn van 90 dagen gesteld. Door dien tijd ongebruikt te laten voorbijgaan, vervalt voor hen de gelegenheid tot liet doen gelden hunner aanspraak op schadeloosstelling. Immers, als sanctie op het in acht nemen van het hier gestelde voorschrift, is bij het volgend artikel bepaald dat alle gronden, omtrent wier tot dusver bestaande tiondplichtigheid binnen voornoemden termijn geene aangifte is geschied, geacht zullen worden, reeds voor het in werking treden der wet, van die plichtigheid te zijn bevrijd.

Met het oog op de belangrijke gevolgen, welke alzoo door het volgend artikel aan den hier gestelden termijn zijn verbonden, zal wellicht de vraag rijzen, of de tyd van slechts drie maanden, hier aan de voormalige tiendhefftrs vergund tot het doen gelden hunner aanspraak op schadeloosstelling, niet wat te kort moet worden geacht, vooral in vergelijking met den zooveel langoren tijd, welke bij artikel 33 aan degenen wordt gelaten, die als belanghebbenden mochten wenschen op te komen tegen de in eenige aangifte vervatte beweringen.

Hoe gegrond evenwel deze bedenking op het eerste gezicht ook moge schijnen, toch valt, bij nadere overweging, op de hier gestelde vraag slechts een ontkennend antwoord te geven. Want zij, wier tiendrecht door het inwerking treden der wet werd opgeheven, zijn ten deze allerminst op gelijke lijn te stellen met hen, van wier gronden bij eenige aangifte mocht zijn beweerd dat ze tot aan de invoering deiwet tiendplichtig waren.

De laatsten toch krijgen van den inhoud, de gronden en de strekking dezer bewering eerst kennis door de mededeeling van het borderel, in art. 30 bedoeld. Eerstgenoemden daarentegen kunnen geacht geworden, reeds lang vóór het tot stand komen der wet, door hare schriftelijke en mondelinge behandeling in de beide kaniers der Staten-Generaal, zich nauwkeurig rekenschap te hebben gegeven van de strekking en beteekenis der in dit artikel aan hen opgelegde verplichtingen. Bovendien is het te verwachten dat, na de afkondiging der wet, liet voorbereiden van de uitvoering harer bepalingen nog wel eenigen tijd zal vorderen, al vort ns het tijdstip van haar in werking treden zal kunnen worden vastgesteld.

Zij, wier tiendrecht werd opgeheven, zullen dus waarlijk niet kunnen klagen dat hun de gelegenheid heeft ontbroken tot het behoorlek in orde brengen der, bij het doen van aangifte, door hen te verstrekken gegevens, indien hun,

Sluiten