Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na het in werking treden der wet, overeenkomstig het bepaalde bij dit artikel, nog een termijn van 3 maanden wordt gelaten voor het beantwoorden der verschillende vragen in de formulieren gesteld.

Onder de gegevens, waaromtrent, volgens het eerste lid van dit artikel, door hem van wien de aangifte uitgaat, naar zijn beste weten opgaaf behoort te worden gedaan, zullen die welke den omvang van het opgeheven tiendrecht betreffen, niet noodzakelijk en uitsluitend de kadastrale perceelsaanduidingen der daarmee bezwaarde gronden behoeven te vermelden.

Wel behoort natuurlijk door ieder, die aanspraak maakt op schadeloosstelling, een behoorlijke grensaanwijzing te worden gedaan van de gronden, welke aan het door hem beweerde recht tot tiendheffing tot dusver zouden zijn onderworpen geweest. Ook zal die aanwijzing voorzeker op de meest afdoende en eenvoudige manier kunnen geschieden door overlegging eener topographische kaart, waarop, na raadpleging der kadastrale plans, het beweerde tot dusver tiendplichtig terrein door omlijning is aangeduid, en die vergezeld gaat van eene lijst, houdende vermelding der verschillende kadastrale perceelen, waarover dat terrein zich uitstrekt. Maar aan het overleggen van eene op dien voet ingerichte kaart, of de volledige vermelding van alle, aan zeker tiendrecht tot dusver onderworpen kadastrale perceelen, kunnen bezwaren zijn verbonden, met het oog waarop het den voorinaligen tiendheflfer behoort vrij te staan, den omvang deivoor hem ondergegane rechten ook op iedere andere wijze aan te duiden, mits daaruit slechts met voldoende bepaaldheid de grenzen deidoor hem gestelde tiendplichtigheid zijn te kennen.

Dit laatste nu zal van den heffer steeds in redelijkheid gevorderd kunnen worden. Want ook dan, wanneer de grenslynen niet uit de titels van aankomst blijken, zijn die bij de landelijke bevolking toch altijd wel genoeg bekend, om op het terrein zelf met nauwkeurigheid te kunnen worden nagegaan en vastgesteld.

Vaak echter zal het daarbij voorkomen dat de grenzen van eenig tiendblok voor een deel worden bepaald door die eener vroegere kerkelijke of burgerlijke bestuursindeeling, welke niet altyd samenvallen met eenige thans nog aanwezige terreinsafscheiding en daarvan afhankelijke kadastrale perceelsbegrenzing. En daarom is dan ook de bepaling van het volgend artikel 27, waarin niet van perceelen maar van „gronden" wordt gesproken, met opzet aldus geredigeerd, zoodat geen vrees behoeft te bestaan, dat de in laatstbedoeld voorschrift.

Sluiten