Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervatte sanctie op den bij het eerste lid van art. 26 gestelden regel, ooit hare toepassing zou kunnen vinden op degenen, die bU het doen van aangifte den omvang van het hun tot dusver toekomend tiendrecht, niet door kadastrale aanduiding der daarmeê bezwaarde perceelen, maar op andere wijze hebben omschreven.

Ter vermijding van noodeloozen omslag, is aan het slot van het eerste lid uitdrukkelijk de bevoegdheid erkend, dat hij die aangifte doet, desverlangd, aanvankelijk kan volstaan met cene summiere meded'eeling van den zakelijken inhoud der bewijsstukken, waarop hij zich beroept. Mocht het der Tiendcommissie, bij haar onderzoek naar de juistheid dier aangifte, dan later wenschelijk blijken, van sommigen dier niet in afschrift noch in het oorspronkelijk overgelegde bescheiden kennis te nemen, zoo zal het bepaalde bij art. 38 tweede lid door haar kunnen worden toegepast.

Art. 26 tweede lid. Uit de aan het Verslag der Commissie toegevoegde Bijlage II blijkt, hoe vaak het voorkomt dat zeker recht tot tiendheffing aan meerderen in onverdeelden eigendom toebehoort. Deze medeeigenaren nu kunnen bij de toepassing van art. 26 tweeërlei weg bewandelen.

Vooreerst kunnen zij ieder afzonderlijk hunne aanspraak op schadeloosstelling doen gelden, door aangifte te doen van het, tengevolge van de invoering der wet, voor iien ondergegane deel hunner gemeenschappelijke tiendgerechtigdheid. Meerderen of allen van hen kunnen zich echter ook vereenigen tot een gezamenlijke aangifte. En in dit laatste geval zal bij het doen hunner aangifte, overeenkomstig het hier bepaalde, één van hen moeten worden aangewezen, aan wien — tenzy een der gevallen zich mocht voordoen, onder a, b of c van art. 67 bedoeld — het geheele bedrag der door den Staat aan hen te zamen verschuldigde schadeloosstelling rechtsgeldig zal kunnen worden uitgekeerd.

Zij, door of namens wie op laatsbedoelden voet aangifte wordt gedaan van het hun gemeenschappelijk toebehoorend tiendrecht, zullen daarbij wel in het oog dienen te houden dat, ofschoon volgens het tweede lid var. dit artikel alsdan slechts een dergenen, van wie de gezamenlijke aangifte uitgaat, tot hun gemeenschappelijke vertegenwoordiger kan worden aangewezen, deze laatste niettemin volkomen bevoegd is, de uitoefening der aan hem toevertrouwde gemeenschappelijke rechten zelf weer aan anderen op te dragen, en dat voorts toepassing van het bepaalde b\j art. 26, tweed", lid hen geenszins ontheft van den plicht om bovendien woonplaats te kiezen, ingevolge de De^aling van het laatste lid.

Sluiten