Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ai;t. 26 derde lid. In tegenstelling tot hetgeen zoo even werd opgemerkt omtrent de mogelijkheid, dat meerderen ter zake van eene en dezelfde tiendgerechtigdheid, zoowel te zamen als afzonderlijk, zich bij het Rijk om uitkeering der hun toekomende schadeloosstelling aanmelden, volgt uit het bepaalde bij do artt. 75, 77 en 78 dat zij, ten behoeve van wie, bij het in werking treden der wet, eenig recht tot tiendheffing met hypotheek, vruchtgebruik of fideicommis was bezwaard, geene afzonderlijke aanspraak op schadeloosstelling tegen het Rijk kunnen doen gelden en, volgens het eerste lid van dit artikel, eigenlijk dus ook geene afzonderlijke aangifte zouden kunnen doen. Dat do bevoegdheid daartoe hun niettemin hier uitdrukkelijk is toegekend, vindt zijn grond in de tegenstrijdigheid der verschillende, bjj de aangifte van het aldus bezwaarde tiendrecht betrokken belangen, welke het niet geraden deed zijn, de naleving van het bepaalde bij art. 26 eerste lid uitsluitend aan den vourmaligen tiendheffer overtelaten. Immers de mogelijkheid zou dan niet zijn uitgesloten dat laatstgenoemde, in samenspanning met do eigenaars der tot dusver tiendplichtige'gronden, ten koste van den hypotheekhouder, vruchtgebruiker of fideicommissairen verwachter, de aangifte geheel achterwege liet, of wel, omtrent het voor hem ondergegane recht, aan de Tiendcommissie geheel verkeerde of onvolledige opgaven zou verstrekken.

Art. 27. Uit het hier bepaalde volgt dat het recht op schadeloosstelling, bij art. 1 toegekend aan ieder, wiens tiendgerechtigdheid krachtens het aldaar bepaalde is opgeheven, in den vollen zin des woords een jas viyilantibus scriptam, kan genoemd worden.

Onredelijk is dit zeker niet, waar het voor de beide colleges, welke in hoofdzaak met de uitvoering der wet zijn belast, eenvoudig onmogelijk zoude wezen zich behoorlijk van hunne taak te kwijten, wanneer van ieder, die door de opheffing der tienden getroffen werd, niet zou mogen worden verlangd dat hij uit eigen beweging voor zijn recht opkome en naar zijn beste vermogen hun de gegevens verstrekke, naar welke de geldigheid en hoegrootheid zijner aanspraak op schadeloosstelling door hen zal zijn te beoordeelcn.

Nadat de wet eenmaal in liet Staatsblad is geplaatst, hot tijdstip van haar in werking treden is aangebroken, en de noodige voorzieningen tot een vlotte en bevredigende toepassing harer bepalingen zijn getroffen, behoort het niet aan het goedvinden der voormalige tiendgerechtigden te zijn overgelaten, hare uitvoering op de lange baan te schuiven en inmiddels, krachtens het bepaalde bij art. 3, over het bedrag hunner vooralsnog niet'geldend

Sluiten