Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en met dit aldus opgemaakt overzicht aanstonds in kennis behooren te stellen den bewaarder der hypotheken, binnen wiens ambtskring de gronden zijn gelegen, waarvan bij de aangifte is beweerd dat zij door het in werking treden der wet van zekeren tiendplicht zijn bevrijd.

Laatstgenoemde zal vervolgens aan den voorzitter der Tiendcommissie de gegevens behooren te verschaffen, welke deze behoeft om uitvoering te geven aan het bepaalde bij artt. 81 en 82. Ten einde hieraan echter te kunnen voldoen, ' zal door den hypotheekbewaarder, op grond der bij de aangifte vermelde bijzonderheden nopens den omvang van het beweerde tiendrecht, in de eerste plaats moeten worden uitgemaakt, welke kadastrale perceelen alzoo volgens hem die do aangifte deed, door het in werking treden der wet, van tiendplicht werden bevrijd. Want eerst nadat de hypotheekbewaarder daaromtrent voor zich tot een besluit is gekomen, zal door hem kunnen worden nagegaan, wie de personen zijn, onder a en b van art. 31 bedoeld, en waar deze hunne woonplaats hebben.

Eerstbedoeld onderzoek geldt intusschen uitsluitend de vraag, welke kadastrale perceelen binnen de grensomsch rij ving vallen, die bij de aangifte van het beweerde tiendrecht gegeven werd. Veel tijd en moeite kunnen aan de beantwoording dezer vraag voor den hypotheekbewaarder dus niet verbonden zijn. Immers de opgegeven begrenzing zal, ook dan wanneer deze niet aan de kadastrale terreinsverdeeling mocht zijn ontleend, in den regel wel met de kadastrale perceelen samenvallen. Terwijl, zoo dit laatste hier of daar soms niet het geval mocht blijken te zijn, de hypotheekbewaarder voorshands toch niets anders zal hebben te doen, dan ook van al die perceelen, welke slechts gedeeltelijk binnen de opgegeven grenzen vallen, de namen en woonplaatsen der in art. 31 bedoelde belanghebbenden aan den voorzitter der Tiendcommissie op te geven.

Eerst veel later zal, als do uitkomst van het onderzoek der Tiendcommissie naar de juistheid der bij haar ingekomen aangifte, door deze ten slotte een besluit moeten genomen worden omtrent de vraag, of en in hoeverre de verschillende kadastrale perceelen, over welke de omvang van het beweerde tiendrecht zich volgens de aangifte uitstrekte, tot aan het in werking treden der wet, ook inderdaad daarmee waren belast. En mocht dan bij dit onderzoek, aan de Tiendcommissie zijn gebleken dat sommige kadastrale perceelen slechts gedeeltelijk vallen binnen de grenzen van het blok of het eenzelvig stuk grond, waarop tot aan de invoering der wet het beweerde recht tot tiendheffing had bestaan,

Sluiten