Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bepaalde bij art. 12, met het nemen eener beslissing over de verschuldigdheid en de hoegrootheid der van het R\jk verlangde schadeloosstelling, tevens ook wordt uitgemaakt, o f en tot welk bedrag uit de perceelen, ter zake van wier tiendbevrijding deze schadeloosstelling zal zijn uit te keeren, voortaan jegens het Rijk eene grondrente zal verschuldigd wezen.

Al mogen dus de eigenaars van die perceelen en zij, wier daarop bestaande zakelijke rechten na de vestiging der tiendvervangende grondrente onder den druk zullen verkeeren van den voorrang, daaraan bij art. 13 toegekend, in eigenlijken zin niet de tegenpartij zijn te noemen van hem, die de aangifte deed, zoo valt het toch niet te ontkennen dat zij in werkelijkheid de eenige belanghebbenden zijn, die in hun vermogen worden getroflen door het besluit, dat omtrent de bij die aangifte, ter zake hunner tiendbevrijding, van het Rijkgevorderde schadeloosstelling zal genomen worden.

Waar dit nu het geval is, daar mag het van deze belanghebbenden voorzeker met recht worden verlangd dat zij zich niet onverschillig betoonen voor hetgeen zal worden beslist omtrent de geldigheid, den aard, den omvang en de waarde van het tiendrecht, waarvan bij eenige aangifte is beweerd dat hunne perceelen zijn ontlast. Immers, tengevolge van liet bepaalde bij artt. 31 en 32, kan die aangifte kwalijk verborgen zijn gebleven voor hen, die belang hebben bij de perceelen, welke daarin als tot dusver tiendplichtig zijn opgegeven. En vermits bekendheid met de voorschriften deiwet evenzeer bij dezen als bij de voormalige tiendheflfers mag worden voorondersteld, zal uit den inhoud dier aangifte aan eerstbedoelden dus ook moeten zijn gebleken, tot welke consequentien de toepassing dier voorschriften te hunnen opzichte zal kannen leiden. Zij, wier perceelen dientengevolge met eene tiendvervangende grondrente dreigen belast te worden, behooren derhalve aan de Tiend- en Schattingscommissiën het licht niet te onthouden, dat deze colleges, naar aanleiding der bij voormelde aangifte hun door den voormaligen tiendheffer eenzijdig verstrekte gegevens, voor eene juiste toepassing der wet behoeven, en dat hun omtrent menig punt juist door niemand beter, dan door bovenbedoelde belanghebbenden kan worden verschaft.

Onttrekken deze zich nu aan dien op hen rustenden plicht tot voorlichting, door binnen den bij art. 33 gestelden termijn van de hun aldaar toegekende bevoegdheid geen gebruik te maken, dan behooren zij aan de gegevens, toen onder zich gehouden, later niet de gronden te kunnen ontleenen, waarop zij de door Tiendof Schattingscommissie naar haar beste ver-

Sluiten