Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepalingen spreekt voor zich zelf en behoeft geene afzonderlijke toelichting. Zoowel van dengene, die zich als voormalige tiendheffer op grond dezer wet tot het Rijk om schadeloosstelling heeft gewend, als van hen, op wier porceelen dientengevolge eene tiendvervangendo grondrente dreigt gevestigd te worden en die bij Tiend- of Schattingscommissie te dier zake voor hunne belangen zijn opgekomen, mag op goede gronden worden verlangd dat zij, daartoe opgeroepen, ook bereidwillig hunne medewerking verleenen, om aan laatstgenoemde colleges alle binnen hun bereik zijnde ophelderingen en inlichtingen te verschaffen, welke deze behoeven, ten einde aan de bepalingen der wet een zoo juist en rechtvaardig mogelijke toepassing te verzekeren. En verzaken zij dien plicht, dan kan het voorzeker niet onredelijk worden geacht dat hun, ingevolge het bepaalde bij art. 42, later de bevoegdheid zal zijn ontzegd, optekomen tegen het besluit der Tiend- of Schattingscommissie, aan wier oproeping tot het verschaffen van inlichtingen of ophelderingen door hen geen gevolg werd gegeven.

Voor het geval, dat daaraan door hen wèl, maar onvolledig of gebrekkig werd voldaan, is er door het bepaalde bij art. 49 nog voor gewaakt, dat althans de geldelijke gevolgen van dit verzuim ten laste komen van hen door wie het werd gepleegd, en dat niet's Rijks Schatkist daarmee worde bezwaard.

Art. 44. Dat het openbaar belang van den Staat als rechtsgemeenschap, bij eene behoorlijke uitvoering van de bepalingen dezer wet betrokken is, zal hier wel geen verder betoog behoeven. Uit de in § 2 van Hoofdstuk V geregelde mogelijkheid eener voorziening in rechte, op vordering van hem, die zich dooide in het tweede lid van art. 45 bedoelde besluiten der Tiendcommissie mocht verongelijkt achten, volgt bovendien dat bij de juistheid deidoor laatstgenoemd college aan de wet gegeven uitvoering ook het ge ld el Uk belang van het Rijk zal zijn gemoeid, daar toch de Staat, bij toewijzing der tegen hem ingestelde vordering, zich overeenkomstig het bepaalde b\j art. 49 jegens de in het gelijk gestelde partij tot betaling der gerechtskosten zal zien veroordeeld.

Beide overwegingen leveren voldoenden grond op tot verklaring en rechtvaardiging van den algemeenen plicht, welke hier ook aan derden wordt opgelegd, tot openbaring van hetgeen hun bekend is en door Tiend- of Schattingscommissie geacht wordt, ter behoorlijke uitvoering van de wet, voor haar van eenig belang te kunnen zijn.

Volgens het tweede lid van dit artikel zullen Tiend- en Schattingscommissie, bij de uitoefening van het recht haar krachtens het eerste

Sluiten