Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het verstrijken van den in art. 46 gestelden termijn zonder dat de daar bedoelde dagvaarding is uitgebracht, hi tzij door de uitspraak van den burgerlijken rechter, in het eerste lid van hetzelfde artikel genoemd.

Abtt. 40 tot en met 49. Deze artikelen handelen over het recht van een ieder, op wien niet de onderstelling van art. 35 toepasselijk is, om bij den burgerlijken rechter in voorziening te komen van de ter uitvoering dezer wet genomen besluiten, door welke hij zich verongelijkt acht, en waarbij eene beslissing werd genomen omtrent de geldigheid, den aard of den omvang der tienden, wegens wier wettelijke opheffing aanspraak op schadeloosstelling is gemaakt.

Waarom het beter is geoordeeld, dit beroep op den burgerlijken rechter niet ook uittestrekken tot de besluiten der Schattingscommissiën omtrent de schadeloosstelling en do grondrente, welke uit krachte dezer wet, voor elk tot dusvertiendplichtig perceel afzonderlijk, door en aan het Rijk zullen zijn verschuldigd, kan men ontwikkeld vinden op bl. 21 en 22 van het Verslag der Commissie, alwaar tevens de redenen zijn vermeld, welke een minderheid onder haar van eene tegenovergestelde meening deden zijn.

Door welke overwegingen men zich overigens bij het ontwerpen dezer bepalingen heeft laten leiden, werd reeds in de Algemeene Beschouwingen uiteengezet. Met eene verwijzing naar het aldaar op bl. 3—7 hierboven voorkomend betoog, kan tot toelichting dezer artikelen hier alzoo worden volstaan.

Art. 50 laatste lid. De hoofdbeteekenis van de taak, waartoe volgens art. 21 de Schattingscommissiën zijn geroepen, bestaat in de beantwoording der aldaar aan het slot voorkomende vragen:

n hoeveel bedraagt in hoofdsom de schadeloosstelling, welke wegens de wettelijke opheffing van eenig tiendrecht, voor elk' daarmee tot dusver belast perceel, van rijkswege zal zijn uittekeeren?

b van welke dier perceelen mag worden aangenomen, dat zij in de laatste 30 jaren nimmer tot het kweeken van eenige akker- of tuinvrucht zijn aangewend?

Uit het bepaalde bij art. 29 juncto art. 34 nu volgt dat niet alleen zij, die als voormalige tiendheffers op schadeloosstelling aanspraak maken, doch evenzeer degenen, op wier perceelen deswege eene tiend vervangende grondrente dreigt gevestigd te worden, alle opgaven, mededeelingen en verzoeken te dier zake, waarop zij mochten wenschen dat bij de toepassing der wet werd gelet, ter kennis van de Tiendcommissie zullen hebben te brengen, die, volgens

Sluiten