Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fideicommissairen verwachter slechts dan van eenig belang zal wezen, wanneer door hem geen gebruik is gemaakt van het bepaalde in art. 26 derde lid. En tot het uitoefenen der aldaar toegekende bevoegdheid zal door hem natuurlijk niet worden overgegaan, zoo vaak hij gezamenlijk met den eigenaar van het tiendrecht de volgens art. 26 vereischte aangifte heeft gedaan, of wel zich in ieder opzicht kan vereenigen met den inhoud deiaangifte, zooals die, geheel buiten hem om, alleen door den tiendgerechtigde is geschied.

Meent nu de hypotheekhouder, vruchtgebruiker of fideicommissaire verwachter in laatstbedoelde gevallen de naleving en eerbiediging van het hem toekomend recht met vertrouwen te kunnen overlaten aan de nauwgezetheid van den tiendgerechtigde — aan wien, volgens het slot van art. 67, de schadeloosstelling alsdan rechtstreeks en in haar geheel zal moeten worden uitgekeerd — zoo zal tot het doen van verzet, ook dan nog geen noodzakelijkheid bestaan. Nochthans zal in die gevallen de voorzichtigheid gewoonlijk wel medebrengen, dat men art. 68 toepast en daardoor den waarborg verkrijgt, die in de consignatie der schadeloosstelling gelegen is.

Akt. 69. Het hier geregeld beslag is niets dan de toepassing van het bepaalde bij aitt. 735 en volgg. van het Wetb. v. Burg. Rechtsv.

Art. 70. Uit het bepaalde by art. 9 deiwet van 12 April 1872 (Stbl. No. 25) tot afkoopbaarstelling der tienden volgt, dat hij, die op grond van deze wet is overgegaan tot tiendafkoop, reeds uit krachte van liet enkele feit dat op het door hem afgekochte recht eenige niet doorgehaalde hypothecaire inschrijving bestaat, verplicht is de door hem verschuldigde afkoopsom in de kas der gerechtelijke consignatiën te storten. Te recht is destijds de wetgever daarbij uitgegaan van de stelling dat hoezeer ook de afkoop door den hypotheekhouder niet kan worden tegengehouden, ja zelfs geheel buiten hem om kan tot stand komen, deze laatste enkel uit krachte van zijn zakelijk zekerheidsrecht toch wel gewaarborgd behoort te wezen, dat bij ondergang door afkoop van den aan hem hypothecair verbonden tiend, althans do waarde daarvan ter uitoefening zijner rechten behoorlijk bewaard blijve.

Dit stelsel heeft men echter gemeend hier bij dit Ontwerp niet te kunnen volgen, en wel voornamelijk op grond van de overweging, dat aan het jus vigilantibws scriptum evenzeer tegenover den hypotheekhouder, vruchtgebruiker of fideicommissairen verwachter behoort te worden vastgehouden, als tegenover hem,

Sluiten