Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan wien eenig tiendrecht tot dusver-in eigendom toebehoorde.

Waar toch reeds, volgens het bepaalde in art. 27, alle verplichting tot schadeloosstelling voor het Rijk vervalt, indien — bij verzuim van den voormaligen tiendheffer - de daartoe vereischte aangifte niet binnen den daarvoor gestelden termijn door den hypotheekhouder, vruchtgebruiker of fideicommissairen verwachter is ingediend, daar vorderde evenzeer de consequentie als de rechtsgelijkheid van allen, die door het bepaalde in art. 1 getroffen worden, dat hier bij artikel 70 de consignatie der door het Rijk verschuldigde schadeloosstelling, als middel tot bewaring van des hypotheekhouders rechten, alleen verplichtend werd gesteld wanneer deze laatste, hetzij door gebruik te maken van art. 26 derde lid, hetzij door het doen van verzet of het leggen van beslag, blijk mocht hebben gegeven, de toepassing van het bepaalde in het slot van art. 67 niet in zijn belang te achten.

Artt. 71 tot en met 74. De inhoud dezer artikelen werd in hoofdzaak ontleend aan de artikelen 16 tot en met 19 der wet van 12 April 1872 (Stbl. no. 25) tot af koopbaarstelling der tienden.

Artt. 75 tot en met 78. Deze bepalingen zijn vrij wel gelijkluidend met hetgeen is voorgeschreven bij het eerste, derde en vierde lid van art. 48 en bij het eerste en laatste lid van art. 45 der wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 125) tot regeling der Onteigening ten algemeenen nutte.

Art. 79. Reeds hierboven, aan het slot der toelichting op art. 3, werd op het nut dezer bepaling gewezen. Bij hetgeen aldaar is aangeteekend zij hier nog opgemerkt, dat van de bevoegdheid, bij dit artikel aan den Minister van Financiën toegekend, deze ook zeer wel gebruik zal kunnen maken, om op rekening der schadeloosstelling, wegens de tiendbevrijding der in art. 5 onder letter a bedoelde perceelen verschuldigd, aan hem, door of namens wien daarvan aangifte werd gedaan, al vast uittekeeren het twintigvoud der gemiddeld-jaarlijksche zuivere tiendopbrengst van het in laatstgenoemd voorschrift bedoelde pachtcomplex, zoodra de inhoud van het daaromtrent door de betrokken schattingscommissie ingevolge art. 52 genomen besluit vast staat, en het dus zeker is, dat in ieder geval het twintigvoud dier opbrengst, wegens de tiendbevrjjding der in dat complex gelegen gronden, als schadeloosstelling van rijkswege zal z(jn uit te keeren.

Zoolang echter nog niet verloopen is de in

Sluiten