Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wenschelijk geoordeelde consequentie van het in art. 1 uitgesproken beginsel te ontkomen, heeft men gemeend, op de tienden, tot wier afkoop bij de invoering der wet nog eene vordering in rechte aanhangig mocht wezen, de wet niet van toepassing te moeten verklaren, indien althans:

a. de daardoor mogelijk geworden voortzetting van dit geding leidt tot toewijzing der vordering;

b. deze toewijzing volge, uiterlijk binnen één jaar en 90 dagen na de invoering der wet.

Ten gevolge nu van deze beide, aan het slot van dit artikel gestelde voorwaarden, zal de tiendheffer, tegen wien bij het in werking treden der wet nog eene vordering tot afkoop aanhangig mocht zijn, aanvankelijk dus in een voorloopigen, tweeslachtigen rechtstoestand verkeeren. Immers, eerst na verloop van den zoo even onder letter b vermelden tijd, zal hij met zekerheid kunnen weten, of hét hem toebehoorend tiendrecht overeenkomstig de wet van 1872 is afgekocht, dan wel krachtens het bepaalde bij art. 1 is opgeheven. Het eerste zal alleen het geval zijn, indien binnen den hier gestelden termijn de vordering tot afkoop wordt toegewezen. Maar wordt deze afgewezen of na verloop van dien termijn daarop nog geene rechterlijke beslissing verkregen, dan zal de voorwaarde niet zijn vervuld, van welke het by dit artikel bepaalde is afhankelijk gesteld, en op des gedaagden tiendhefifers recht zullen de bepalingen dezer wet ten slotte dan wel toepasselijk zijn gebleken.

Met het oog op deze laatste omstandigheid, laat zich uit het bovenstaande alzoo de belangrijke gevolgtrekking afleiden, dat de tiendheffer, die bij het in werking treden der wet als gedaagde mocht zijn betrokken in een geding tot afkoop van zijn recht, zich op grond van het bij dit artikel bepaalde allerminst ontslagen kan rekenen van de noodzakelijkheidom, tot bewaring zijner aanspraak op schade loosstelling, binnen den bij art. 26 gestelden termijn de aldaar gevorderde aangifte te doen van zijn tiend, voor het geval dat daarop — bij niet vervulling der hierboven onder a en b bedoelde voorwaarden - niet de uitzonderingsbepaling van dit artikel, maar het algemeene voorschrift van art. 1 toepasselijk mocht blijken. En daaruit vloeit natuurlijk weer voort, dat zoo de tiendplichtige, die ais eischer in bovenbedoeld geding tot afkoop is opgetreden, niet de onderstelling van art. 35 op zich wil toegepast zien, ook deze — ondanks het hier bepaalde - evenmin zal mogen nalaten, naar aanleiding van de aangifte zijner tegenpartij, gebruik te maken van het hem krachtens art. 33 toekomende recht.

De gelegenheid daartoe zal, volgens den bij

Sluiten