Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als van de hoofden van het gezelschap wordt in de rekeningen verschillend gesproken van gildemeesters, gouverneurs of dekens. Het telde onder zijne leden zoowel vrouwen als mannen, die naar het schijnt niet alleen te Middelburg, doch ook elders op Walcheren woonachtig waren. De vele schenkingen, die het gasthuis ten deel vielen, mag men aannemen, dat voor een groot deel uit den kring der gilden voortkwamen. Enkele malen vindt men in de rekeningen van het gasthuis kleine legaten ten name van het gilde geboekt. Hiervan heeft men wel te onderscheiden de jaarlijksche bijdrage van de leden aan het gasthuis. Uit eene rekening dezer bijdrage, die zich achter in nr. 60 bevindt, blijkt, dat het gilde in 1493 211 leden telde, die elk een jaargeld van 5 grooten en bij overlijden 12 grooten voor doodschuld betaalde. Het voordeelig saldo wordt in de volgende gasthuisrekening geboekt (zie den eersten post). Na 1498/4 schijnen er geene afzonderlijke rekeningen dezer bijdrage meer te zijn aangehouden, de gelden worden dan in een afzonderlijk hoofdstuk of bij andere posten van ontvangsten in de gasthuisrekening geboekt.

Niet lang echter mocht het gesticht den zedelijken en stoffelijken steun van het gilde blijven genieten. Na een bedrag van 3 pond 7 schellingen, eu 3 pond 14 schellingen 3 grooten, respectievelijk geboekt in de rekeningen van 1498/9 en 1499/1500, krimpt de contributie in 1505/6 tot 1 pond 17 schellingen 7 grooten; in 1512/8, 1518/4 en 1517/9 wordt niets geboekt; in 1519/20 slechts van 1 persoon; in 1520/1 van 3 personen, waaronder van een over 8 jaren, en in 1526/7 van één persoon en van een ander de doodschuld. In gelijke maten nagenoeg verminderen ook de opbrengsten van de kerkelijke blokken en neemt de dienst op het altaar af. Alles wijst op een naderend einde. Reg. nr. 481 toont genoegzaam aan, dat in 1528 het gilde in het gasthuis had opgehouden te bestaan.

In de geschiedenis van de gilden van St. Maria en St. Barbara, zooals die hiervoren bij gemis van de broederschapsbrieven op grond van verschillende zijdelingsche berichten slechts bij groote waarschijnlijkheid geschetst kon worden, is er nog één punt, dat niet geheel onbesproken mag blijven. Het is dit: na de vereeniging in c. 1492 wordt het O. L. V. gilde en dat van St. Barbara nog enkele malen als op zich zelf staande gilden genoemd. Zoo in de schenking van Jan Joffrays, hiervoren onder 3 besproken, zoo in verschillende rekeningen van 1498/4 tot 1517/9, waarin de betaling van een cijns aan het O. L. V. gilde in uitgaaf wordt gesteld, en zoo ook in de betaling van de doodschuld eener vrouw //van Zente Barbaren gilde" in de rekening van 1494/5, terwijl de beide koren (punt 4 hiervoren) nog in 1498 en 1499 genoemd

Sluiten