Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beurten zich met den inkoop van versche levensmiddelen, huishoudelijke benoodigdheden en linnen en beddegoed belast hebben. Later, in 1686,

worden voor den verschen marktgang weder betalingen aan den binnenvader en de ziekenmoeder gedaan, en is de voeding van zieken en bedienden meer gereglementeerd, waarmede echter de zorg en het toezicht van dames-regentessen in de huishoudelijke aangelegenheden geenszins was weggenomen.

De voornaamste bron van inkomsten waren de vele donatiën, die het Financiën, gasthuis oudtijds en ook later ten deel vielen. De vorstelijke schenking van Jan Matens in 1605 verdient hier zeker wel bijzondere vermelding.

Na de 17de eeuw wordt uit dien hoofde weinig meer ontvangen. Fiuanciëelen steun vindt het gesticht verder in verschillende beneficiën van stad en land, waarvan J van het ijkloon reeds in de oudste rekeningen vermeld wordt, en de rantsoen- of godspenningen van de verpachte of gecollecteerde gemeene middelen en van het verkochte gedeelte der door de admiraliteit van Zeeland geconfisqueerde goederen belangrijke bate aan het gasthuis geven. Van de betaling van enkele belastingen was het gesticht zelf vrijgesteld. Zoo bestond deze liefdadige instelling dus hoofdzakelijk van giften. Een bron vloeide van rechtswege, nl. de nalatenschappen van hen, die in het gasthuis stierven. Tot zoover de rekeningen teruggaan, blijkt van de naasting der door overledenen achtergelaten goederen, en niet alleen van de losse gelden en de kleeding, die deze in het gesticht bij zich hadden gehad, maar ook van eventueel nagelaten onroerende goederen. Dit recht neemt echter niet weg, dat het bestuur bij eenigszins beduidende nalatenschappen niet ongenegen was met de naastbestaanden in eene schikking te treden en met eene vergoeding voor verpleging meermalen genoegen nam. Trouwens met opzicht tot buitenslands gelegen goederen, en dat waren het uit den aard der zaak veelal, moet dat erfrecht moeielijk te handhaven zijn geweest (zie nrs. 888 en 890), daar gasthuismeesters er nooit eenig ander bewijs dan gewoonte voor konden aanvoeren. Eerst bij octrooi van de Staten van Zeeland van 1773 Augustus 26 is dat recht over het verledene en in het toekomende erkend.

De belegging der kapitalen van het huis is door alle tijden heen niet geheel dezelfde geweest. Oudtijds vindt men bijna uitsluitend grondbezit,

waarin de schenkingen toen ook voor een groot deel bestonden. Gebouwen, bij schenking of erfenis verkregen, schijnen dadelijk weder van de hand te zijn gedaan, daar die in de rekeningen nagenoeg niet voorkomen. De 16de eeuw bracht hierin verandering; in 1520 komen naast

Sluiten