Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijd in, met den krijgskreet des geloofs: vindicamus hacreJitatcm pat rum nostroruvi; wij handhaven het erfdeel c >nzer vaderen, (i Mach. XV, 34) - ja, wanneer hem vijanden der Kerk voor den geest kwamen, van vroegeren of lateren tijd, buiten of in het vaderland, mannen, die met de wijsheden deiwetenschap, of met de verleiding der weelde, of met de brutale macht van het geweld aan Rome's Kerk haar kinderen poogden te ontrooven, dan vloog hij somwijlen op als een opgetergde woudleeuw en werd geweldig in vermorzeling; of liever: dan ontbrandde somwijlen in zijn ziel een vonk van die goddelijke verontwaardiging, waarmede Jesus Christus-zelf eenmaal den misleiders en verdervers van zijn dierbaar volk heeft toegeroepen

(Mt XXIII): Wee u, schijnheiligen, wee u, dwazen en blinden, gij 'slangen, gij adderengebroed, hoe zult gij het oordeel der hel ontvlieden?

Maar vandaar dan ook zoovele onvergankelijke opstellen van zijn hand, of liever : van zijn hart, tot kenschetsing en verheerlijking van talrijke groote mannen uit vroegeren of lateren tijd, buiten en in zijn vaderland, mannen, die als dagbladschrijvers, als volksvertegenwoordigers, als staatslieden, als kerkvoogden, in wat betrekking ook, zijn dierbare Moederkerk verdedigden en verheerlijkten in hun geschriften ot woorden of daden; ja, dan rees hij voor ons op als zelt een der edelste kampioenen van hun roemwaardige gelederen, en stond hij voor de oogen der verbaasde vijanden met de apostolische fierheid van Paulus, maar in veel hooger zin dan deze, de verklaring afleggende: civis Roitianus... naties suvi; ik ben burger van

Rome geboren! (Hand. XXII, 27). ..

De heerlijkheid der Roomsche Kerk was zijn levensdoel, zijn levensvreugde, zijn levensgenot; vooral ook wanneer liet gold de Roomsche Kerk van zijn eigen dierbaar A aderland. — W at heeft hij verzuimd te doen, wanneer hij haar glorie kon bevorderen; waar heeft hij tegen op gezien, wanneer hij haar vrijheid kon bewaren of verzekeren; welk wapen heeft hij ongehanteerd gelaten, wanneer er voor haar viel te strijden. „De Kerk van Christus nooit slavin!" aan die leuze van den grooten handhaver der kerkelijke vrijheid, Paus Gregorius VII, was en bleef Schaepman getrouw, vooral ook wanneer het de Kerk van zijn Vaderland betrof. Op den Katholiekendag te Keulen in 1864, b. v. hebben, in waarheid, al de snaren zijner ziel haar

Sluiten