Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote man, deze stoere geest, zuivere ontvankelijkheid bezat voor de zoete emoties der kunst.

Zijn wijsgeerige neiging liet hem veel schrijven, ook over kunst, dat zweemt naar stelselmatige doctrine, en ik ga zoo dadelijk trachten ook daarvan iets weer te geven. Maar zoo dikwijls is kunstfilosofie grauw als, naar de bekende machtspreuk, elke theorie. En eerst moest daarom worden gezegd, dat bewogenheid door kunstaffectie de bron mag heeten van Scliaepmans beschouwingen over kunst. Trouwens — leest zijn essay: Dc Satyr in dc kunst i) en zegt, of die fijne opmerkingen, die soms den naam van Hello voor uwen geest roepen, niet aan een schoone aandoenlijkheid ontsproten moeten zijn.

Wat mij voorkomt het meest opmerkelijke te wezen in Schaepmans kunstbeschouwing, dat is zijne stellige overtuiging, dat iedere groote kunst sociaal moet zijn. Dwars-in tegen de meeningen die in zijn bloeiperiode — zeggen wij van 1870—'90 — de overheerschende waren, vierkant standhoudend tegen naturalistische tendenzen van zoo groot-begaafden als zijn tijd er bracht en natuurlijk onbewogen door de ijlhoofdige leuze: „1'art pour 1'art" van een troepje eindeeuwsche zwakkelingen, bleef hij belijden eene gemeenschapskunst. Hij, Roomsch priester, geloovige en strijder als hij zich noemde, hij had gezien hoe op de Roomsche samenleving der middeleeuwen de sublieme Roomsche kunst had gebloeid.

„Als geheel het maatschappelijk leven Christelijk geworden is — schreef hij in 1872 — dan verschijnt de Christelijke kunst als het jongste en schoonste kind der eeuwig jonge en eeuwenoude Moeder. Hier vooral blijkt de waarheid, dat de kunst de eeuwige jonkheid is van het volwassen leven. 2) Wezenlijk gesproten uit de samenleving-zelf, is zulke kunst niet een gave voor enkele bevoorrechten, maar gemeen goed van allen. Ons, voor wie kunst altijd een gedachte opwekt aan iets zeldzaams, iets onbereikbaars; die eraan ontwend zijn kunst te zien ook elders dan in een museum of het kabinet van den rijken bankier, die er zijn eigen museum op na kan

1) Onze Wachter — 1874 (li) — blz. 62—66.

2) Het Gildeboek — I, blz. 6.

Sluiten