Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schmerz cn Zerrisscnhoit was voorbij, toen Schaepman zijn letterkundige loopbaan begon ; doch waar de pest was geweken, daar had ze de influenza achtergelaten : het bleef — helaas, het blijft ten deele nog thans — een soort van mode om ware of vermeende zielewondekens te koesteren en ten toon te dragen. Welnu, — zeldzaam voorbeeld van zelfstandigheid ! — aan dien verleidelijken tijdgeest heeft Schaepman nooit geofferd, aan die besmettelijke modeziekte heeft hij nooit geleden. In alle tonen heeft zijn rijkbesnaarde ziel gezongen, maar in overweeke mineur heeft ze niet getrild; geen spoor van Weltschmerz in de liederen van den twintigjarige, geen zwartgallige regel in zijn zwanezang! — En toch, ook voor hem natuurlijk heeft de groote lijdenswet gegolden. Wat dit machtige hart opsS-jarigen leeftijd had uitgeput is waarlijk niet alleen het huppelen van vreugde geweest! Maar die kerngezonde ziel in dat kerngezonde lichaam verstond de akelige kunst niet van klagen en kermen. Hij droeg de smarten des levens als een dapper soldaat zijn wonden op het slagveld: wel verre van er vreemde aandacht en medelijden voor te vragen, vergat hij ze zelf in de hitte van den strijd, of werd erdoor geprikkeld tot feller drift. De vrienden, die van nabij een blik op dat heldenhart mochten werpen, zij hebben er misschien versch geslagen wonden, ze hebben er zeker zware en dikke litteekens gezien, maar do kunstmatig opengehouden fistel der melancholie vonden zij er niet. Men stelle zich dien breeden kop voor, zooals Veth ons dien in sobere, scherpe lijnen heeft bewaard, en daarop .... een weemoedigen trek!

En niet alleen kan hij zelf niet klagen, hij kan het ook niet lijden van anderen, hij kan het niet gelooven, hij kan het niet eens begrijpen. Het gaat hem als die eeuwig gezonde naturen, die zich maar niet kunnen voorstellen, dat de slepende kwaal van een zwakkeren medemensch iets anders is dan verbeelding. „Wie geeft ons toch" — roept hij uit, wanhopig over de sombere letterkunde van den dag —■ „Wie geeft ons toch een vroolijk boek?" — Waar hij een gunstige critiek levert, tien tegen één, dat de woorden vroolijk, frisch, gezond, levenslustig er een groote rol in spelen; moeten daarentegen sommige jongeren het ontgelden, dan vergeet hij nooit even te spotten met hun gejammer. In een Chronicon van 1901 schrijft hij: „In al het zuchten en zingen der jongeren, zie ik geen geloof,

Sluiten