Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkelijke en in overdrachtelijke beteekenis) over hunne daken en torenspitsen zijn gevaren, of door den roem of somwijlen de beruchtheid der bewoners, voldoende stof voor lange geschiedverhalen opleveren. Ik wensch mij bij deze lezing te beperken tot eenige mededeelingen over de twee adellijke huizen, welker namen ik noemde en welke in 1902 en het daarop volgende jaar zulk eene plaats in den gedachtengang en de gedachtenwisselingen mijner gewestgenooten hebben ingenomen, om vervolgens een schets te geven van het leven van den Ommelander jonker, hoveling of edelman der I7de en i8de eeuw. Het zal mij daarbij niet ontbreken aan de gelegenheid om van talrijke kasteelen en hunne bewoners enkele bizonderheden en anecdoten te vertellen.

Wanneer Dijksterhuis het eerst ter sprake wordt gebracht, dan vindt dit zijn reden daarin, dat de geschiedenis van het „huis ten Dijke", de middeleeuwsche naam voor het eerst in de I7de eeuw in gebruik gekomen Dijksterhuis, als kasteel ouder is op te halen dan die van Menkema.

Als eerst bekenden bewoner vinden wij in eene oorkonde van 1406 x) zekeren „Focko to Dijke, hoofdling in Sunte Petersburen." Al weten wij verder niets van dezen Focko, enkel zijn naam geeft ons voldoende bewijs, dat reeds toenmaals aan den zeedijk het huis ten Dijke was verrezen.

Eenigen tijd later, in onderscheidene oorkonden van de jaren 1436 —1464, komt als zetelende op dit huis voor „Ode, Odo, Oda, of Oede ten Dijke in Petersburen." Uit de stukken blijkt, dat Odo of Oede de weduwe van Focko was. Zij maakte in

*) Huisarchief Farmsum, Regest nr. 24.

I*

Sluiten