Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen moesten wel de zeden der bewoners van deze noordelijke streken den weldadigen invloed der rustige tijden ondervinden.

Slaan wij thans het leven van den Ommelander jonker der I7de en i8de eeuw van zijne geboorte af gade.

Op het adellijk, doorgaans voorvaderlijk huis met behulp van eene „vroemoer" (in de geheele Ommelanden waren in dei7de en i8de eeuw slechts enkele geneesheeren) in het leven gebracht, werd hij, reeds eenige dagen na zijne verschijning, in de kerk van het dorp ten doop gehouden en ontving hij de aan een zijner grootouders ontleende voornamen. Klonken die voorouderlijke, oud-friesche namen aan sommige, klassiek opgeleide, ouders wat te boersch in de ooren, dan had vooraf eene verdeftiging plaats, dan werd Sicco verdeftigd in Sixtus, Popco in Pompejus, Lieuwe in Livius enz. Dat bij de predikatie op zijne hooge geboorte werd gewezen en op de groote verwachtingen, welke nu reeds van den zuigeling voor staat en kerk mochten worden gekoesterd, spreekt als van zelf. Pillegiften werden in klinkend metaal aan den kleinen jonker door bloedverwanten vereerd en een gouden of zilveren rinkebei mocht in den wieg niet ontbreken. Een „kindelbier", wij zouden zeggen een doopfeest, besloot dezen gewichtigen dag zijns jongen levens.

Veel kans om als eenig kind verwend te worden, had de jonggeborene doorgaans niet, het twee-kinderenstelsel was nog niet uitgevonden; op de meeste kasteelen (niet anders als in de eenvoudige woningen) kon men veelal op een getal van tien tot vijftien kinderen bogen. Zelden kwam het huisgezin echter werkelijk tot dien omvang. Wie de oude familiebijbels inziet, welker schutbladen de aanteekeningen over geboorten en sterfgevallen bevatten, staat verbaasd over de groote kindersterfte. Bijna de helft, zeker V3 der kinderen bracht het niet tot het tweede levensjaar.

Waren de eerste onschuldige kinderjaren (tot aan het vierde levensjaar en soms ouder waren de jongens en meisjes van deftigen huize

2*

Sluiten