Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien voerde hij den titel „heer" van het dorp. Dit heerlijke recht had hij echter niet van eene leenkamer of een leenheer, eenehoogere autoriteit, gekregen, zooals met de ambachtsheeren in Holland en Zeeland en de heeren in Overijssel, Gelderland en Utrecht het geval was, neen, dit heerlijke recht had hij zich zelf verschaft of geërfd, dien titel van „heer" had hij zich zelf gekozen ter vervanging van den allengs meer in onbruik rakenden middeleeuwschen titel van hoofdling of hoveling.

Waaruit bestond dan zijn recht van „heer"? In bijna algeheele oppermacht in rechtspreken, in groote macht in zijlvestenijzaken, in recht van vertegenwoordiging van zijn dorp in de Ommelander regeering, in collatierecht in kerkelijke aangelegenheden en in verschillende andere uit bovengenoemde machten voortvloeiende rechten en bevoegdheden.

Dat alles had zijn oorsprong in het grondbezit. In de vroege middeleeuwen gaf het bezit van eene zekere hoeveelheid gronds, een heerd lands, recht om deel te nemen aan rechtspraak, zijlvestbestuur, kerkbestuur enz.

Reeds in de 13de eeuw en waarschijnlijk reeds vroeger vindt men in de Ommelanden (en hiermede worden bedoeld niet alleen de latere drie kwartieren Hunsingoo, Fivelgoo en het Westerkwartier, doch tevens tot aan het midden der I5de eeuw het Olde Ambacht of Oldambt) een groot aantal rechters, die niet als in andere gewesten van ons land van boven af door den vorst of den graaf zijn aangesteld en zijne vertegenwoordigers zijn, doch die uit het volk zelve voortkomen.

Die rechters of rigteren, doorgaans redgers (in de oude Friesohe taal der Ommelanden: redjevan, d. i. raadgever) en grietmannen (in 't Westerkwartier) geheeten, bekleedden hun ambt slechts gedurende één jaar. Zij werden niet gekozen, doch bij „tourbeurten" tot de bediening van hun rechterambt opgeroepen. In elke rechtstoel (er waren 65 gerichten of grietenijen in de Omme-

Feith, Ommelander Borgen. 3

Sluiten