Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landen zonder het Oldambt) was een rooster vastgesteld van de heerden of boerenplaatsen, welker bezitters geroepen of aangewezen waren om het rechterambt gedurende één jaar waar te nemen, hetgeen men noemde „het redgerrecht slijten." De door den rooster aangewezen landbezitter moest het rechterambt bedienen, zonder onderscheid of hij al of niet een man van aanzien was, afgezien ook van zijne overige hoedanigheden van karakter en verstand. Trouwens, de rechtspleging was eenvoudig, het aantal wetten gering en de omvang van het rechtsgebied klein. De bedoeling bij deze afwisselende rechtspraak ging uit van het democratisch begrip, dat niet de eene mensch gedurende langen tijd gezag over zijne medemenschen mag uitoefenen.

Niet elk landbezit echter gaf recht tot bekleeding van het rechterambt op zijn beurt. Daartoe was vereischt eene behuisde plaats met een daarbij behoorend landbezit van ten minste 30 grazen of jukken, dus naar tegenwoordige maat ± 15 hectaren, zoo bepaalde eene warfsconstitutie van 1560. Men noemde zulk eene plaats een heerd, ook wel een gerechtigde heerd, een edele heerd, een schultenheerd en in het Westerkwartier een volhuis. Immers datzelfde grondbezit van een heerd gaf nog andere rechten; zoo bepaalde het Ommelander landrecht van 1601, ter bevestiging van bestaande toestanden, in boek IV art. 5- »IegelÜc'< Heerd „Lands (te weeten dertich Juck ofte dertich Grase Lands) aen „een Persoon egentlijck toebehorende (daer een Huys op staet) „sal (gelijck van oldes gewoonlijck), mede hebben ende beholden „Jus Patronatus tot de Carspelkercke als naemlijck ééne Stemme. „Soo oock tot eenen huyse behoorde sestich Grase ofte hondert „ende daerenboven, mach men doch deshal ven niet meer dan „ééne stemme verdegenen, onvercort nochtans in desen voorsz. „dengenen, die inspeciael alleene meer Rechts verweeren connen." Ook het recht om als eigenerfde zonder volmacht ten Ommelander landdage of ter Statenvergadering te verschijnen, was aan

Sluiten