Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En die voordeelen waren dikwijls niet gering, zij waren natuurlijk wisselvallig en stonden in nauw verband met de hoegrootheid der rechtstoelen. Zoo leverde bijv. de rechtstoel van Baflo in het jaar 1765/66 aan zijn bezitter een som van / 230.17.3 en genoot een der heeren Alberda in 1723/24 als redger van de drie staande rechtstoelen van Eenrum, Pieterburen en Huizinge een bedrag van ƒ713.13, hetwelk in 1737/38 tot ƒ980.5 klom, doch dat door hem zelf gemiddeld werd begroot op jaarlijks ƒ 5 50. De staande rechtstoel van Appingedam c.a. werd in 1647 verkocht voor ƒ 17.000.

Niet altijd oefende de jonker zelf zijn rechtsambt uit. Was de bezitter van het „heerlijk huis" met zijne annexe rechten een minderjarige of weduwe, of voelde hij zich tot de uitoefening minder capabel of minder belust, dan stelde hij voor zich iemand, doorgaans een in de rechten ervaren of daarin gestudeerd hebbend, veelal gepromoveerd, man als „geconstitueerde richter" aan. De opbrengst van het ambt werd dan door den bezitter van het recht en den geconstitueerden uitoefenaar gedeeld.

Zijn heerlijk recht gaf hem, wij zagen het reeds, tevens de macht om ten Ommelander landdage en in de vergadering der Staten van Stad en Lande te verschijnen. Niet als „volmacht" door de karspellieden telken reize daarvoor aangewezen, noch als eigenerfde, doch sui juris, als groot grondbezitter onder den titel van „jonker", of „hoofdeling". *) Op dat recht was hij hoogelijk gesteld. Daardoor kon hij medewerken aan de behartiging der belangen van zijn geboortegrond, daardoor bovenal kon hij, het voetspoor zijner voorvaderen drukkend, medestrijden in

1) Men bedenke wel, dat het recht ter Statenvergadering te verschijnen afhankelijk was van het bezit van de vereischte hoeveelheid lands, twmjjg^grazen, in vollen eigendom. Verloor de jonker zijn land, dan behield hij doorgaans den titel, doch met zijn recht van zitting nemen in de Statenvergadering was het uit. Uitvoeriger hierover in het begin van Hoofdstuk II.

Sluiten