Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trok in den vroegen morgen bij hoogen, helderen herfsthemel de jachtstoet te paard uit, om over velden en weiden, in de Woldstreken door bosschen en struiken, het wild na te zetten en te bemachtigen. Of de jonker, enkel vergezeld van zijn polsstokdrager, trok door de velden om waterwild of boschvogel te verschalken, of hij stelde zich aan het hoofd van zijne boeren om den wolf te dooden, die zich tot schrik van geheel de omgeving in deze streken had gewaagd. En bij dat jachtvermaak werd hij niet door jachtakten en bepaalde jachtdagen belemmerd. Ook de stroopers zouden zich wel wachten te vrijmoedig hun gevaarlijk beroep uit te oefenen; zoo de biezejager hen betrapte, wisten zij, dat ze terecht zouden moeten staan voor den redger, denzelfden man, dien zij in zijn jachtrecht hadden benadeeld.

Een ander heerlijk recht, in het bezit van enkele Ommelander jonkers, bewoners der kasteelen aan de kust, was het strandrecht, eveneens een uitvloeisel van het redgerrecht. Wat dit recht beteekende en welke rol het huis Ten Dijke daarbij als roofnest heeft vervuld, heb ik vroeger eens medegedeeld en is te vinden in mijn in 1902 uitgegeven boekje: „Uit Groningens Verleden".

Het schepperschap in de zijlvestenijen schonk aan menig jonker het ongestoorde vischrecht op nog niet door fabriekswater vervuilde diepen en maren, of op de vischrijke meren, talrijker dan in onze dagen.

Weer anderen, o.a. de heeren van Menkema en Dijksterhuis, bezaten het recht van bonghaver, van dekenlammeren en van koeschot, zijnde tienden van haver, lammeren en kalveren, welke oudtijds aan de vijf proosten of dekens van den bisschop van Munster in de Ommelanden moesten worden opgebracht, doch welke later in wereldlijke handen zijn overgegaan.

De groote houten of steenen duiventil, zooals men die nog aantreft bij Menkema, bij Dijksterhuis, bij Allersma, bij Verhildersum, gaf den eigenaar het recht duiven te lokken en te vangen om ten

Sluiten