is toegevoegd aan uw favorieten.

De Ommelander Borgen en hare bewoners in de zeventiende en achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spot van het oude bijgeloof, dat als gevolg van het eten va duiven melancholie zou ontstaan, zich aan een heerlijken schotel te vergasten. Die duiventil, veelal ook op de zolders van hoogen burcht aangebracht, zooals op oude afbeel,dingen*M. van het huis te Feerwerd, te zien is, schonk de gelegenheid op gemakkelijke wijze jaarlijks honderden dier vogels te bemachtigen. Zooals bekend L *. mogen in onr.e» tijd de bestaande dn, huizen blijven, doch is het verboden nieuwe op te richten.

Eendenkooi en konijnenwarande zorgden op gelijke wijze voor afwisseling van gerechten op den disch van dea bn^er'

recht van zwanenvlucht, o.a. aan Menkema verbonden gaf het recht zwanen te schieten en te vangen, welk jachtbedrijf aan andere tot de jacht gerechtigden was ontzegd.

In allerlei opzichten was de Ommelander jonker boven =(»« medemenschen bevoorrecht. Zoo erkent het Ommelander Landrecht (boek II art. 49) het voorrecht van meerdere 8=1°°'™" digheid der jonkers voor het gerecht. Bij genoemd art,kei word immers toegestaan, „dat adelijcke personen, van olde, dae'voor geholden zijnde, onder haer pitsier op adelijcke trouwe ende g ■ love in plaetse van lijflijcken ende solemnelen eed, met haer attestatie» ende certificatien sullen mogen volstaen . Zoo verklaart een ander artikel (boek VI art. 34), dat „alle misdaden gedaen an Hooflingen, die geen recht bedienen",,met en brenke gestraft zullen worden. Voor hoofdl.ngcn d,e zelf het redgerambt bedienden, was de straf viervoud; gesch.edd., het mi drijf „in bedrijves haeres ampts, sal men dat straffen aen den "alsZoo zou ik kunnen doorgaan. Allerlei grootere of kleinere

rechten in kerk, staat ™ maatschappij hadden zich langzametod

opgehoopt in het bezit van den op zijn voorvaderlijk erf wonen den hoveling, die zich in den loop der eeuwen van ««»»«» landman tot machtigen jonker had ontwikkeld, wiens heerh,i rech en adeldom niet door vorstengunst was verleend, doch allengs u