is toegevoegd aan uw favorieten.

De Ommelander Borgen en hare bewoners in de zeventiende en achttiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiertegen zeker niet, zoolang daaruit geen naijver werd geboren. Doch dit gebeurde maar al te dikwijls. Niet onvermakelijk is o.a. de kwestie, welke hierover ontstond tusschen de bewoners der

beide borgen te Feerwerd in 1645. l) ^ dat de P'°"

fessor G. Makdowell, zich noemende „de principaelste collat ende hovelinge tot Feerwerf een klacht bij de Hoofdmannenkamer van Stad en Lande in tegen „d.e persoon van jonker Jebbe Aldringa, woonachtig tot Feerwert, ter cause hij «ck hadde laten gelusten eigenherig ende achterbax d' uirwijser ende wapenen van wijlen jr. Sixtus van Botnia en juffvrouwe El.sabeth Alberda (attestants respective voirsate en tegenwoordige hu.sfrouwe) van de toorn en de kercke des voorsz. dorps aff te breken aten, deselve wapenen te defaceren en uut te wisschen ende in plaetse van dien sijn eigen wapen te stellen, hoewel dat attestant ie principaelste collator ende hoeveling ter plaetse is.

Ongeveer dezelfde kwestie kwam in 1680/81 nog eens ter tae van de Hooge Justitie Kamer. Thans gold het een eisch van Fecco Ompteda tegen Willem Alberda „ten eynde hij (Alberda) wederom in 't gewelfte van de Zantster Choor zoude moeten herstellen de twee wapenen van Ompteda en Cater, als hij ten onrechte hadde doen wechnemen en overwitten, aengesien hij (Ompteda) in 't posses daervan sijnde niet de facto uit hetse ve kost worden gestoten. De Gedaegde sustineerde dit geen subject van posses te sijn. De Impetrant (Ompteda) repliceerde, dat hy als gedepossideert sijnde eerst moest herstelt worden, kunnende de collatoren, indien vermeynden, dat d' Impetrant geen ree soude hebben om sijne wapenen in 't Choor te behouden,^ daerover haer actie behoorlik bij middel van rechte instellen. Na een langdurig proces werd Ompteda zoowel in eerste instantie als

in revisie in het gelijk gesteld.

1) Reg. Arch. Gron. 1645 nr. 4^*