Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ludema op 10 Februari 1700 verwisselden genoemde volle neven van borgen en van titels. Inmiddels had R. J. Lewe ook het redgerrecht in 24 ommegangen met het rechthuis te Aduard alsmede het overste schepperschap van het Aduarder zijlvest, welke rechten door de Staten op 19 December 1659 uit de bezittingen van het klooster waren verkocht, weten te bekomen.

In de 18de eeuw (1700—1804) waren achtereenvolgens drie jonkers Evert Joost Lewe, vader, zoon en kleinzoon, heer van Aduard. Zij maakten het huis te Aduard tot een landgoed „met schoone en uitgestrekte bosschen, waarin hertekamp en een zeer hooge opgeworpen berg van aarde, tot welker daarstelling de heer van Aduard de boeren in zijne jurisdictie gedwongen had den grond persoonlijk aan te voeren". Het oude dwaalhof, dat in andere handen was geraakt, werd in 1743 door aankoop weder aan het buitengoed toegevoegd.

In 1814 verkocht Carolus Justus Lewe van Aduard het huis met omgeving, hetwelk daarna werd gesloopt, terwijl de bosschen en de hertekamp werden uitgeroeid en in weiland herschapen. Als eene herinnering aan vervlogen grootheid bleef tot ± 1870 de berg midden in het weiland staan. Eene afbeelding van het vrij eenvoudige landhuis van ééne verdieping vindt men op de kaart van Beckeringh.

ALBERDAHUIS te 't Zandt.

Het geslacht Alberda had volgens de kaarten der 17de eeuw twee borgen te 't Zandt, een aan het noordeinde van het dorp gelegen ten westen van den weg, welk huis op de kaarten der i8de eeuw niet meer te vinden is, en een op ongeveer vijf minuten ten zuiden van het dorp, de oude Alberdaheerd. Beide borgen werden Alberdahuis genoemd

Sluiten