Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkocht aan den heer P. Durleu. In 1818 opnieuw verkocht, werd de oude burcht in 1820 gesloopt. Thans staat ter plaatse een deftig groot heerenhuis, door zwaar geboomte omgeven. Weet de geschiedenis o.a. te vermelden, dat in 1581 „Tammingahues to Bellingeweer is afgebroken van de Goesen in Winsum", in de 18de eeuw kreeg het huis eenige vermaardheid door de dichteres Clara Feyoena van Sijtzama, die, hoewel geene dochter des huizes, als dankbare logeergast een bundel gedichten onder den titel „Bellingeweerder Uitspanningen" in 1746 te Groningen het licht deed zien.

Afbeeldingen van deze borg vindt men van + 1630 en uit de 18de eeuw door A. Rademaker in den atlas van het Groningsch Museum, verder in het h. s. Schoemaker en op de kaart van Beckeringh.

TAMMINGABORG.

Vijf minuten ten zuiden van Hornhuizen.

In 1344 en 1375 komen reeds Tamminga's te Hornhuizen voor, zij voeren dan reeds een eigen zegel, waaruit men mag afleiden, dat zij ridders, althans hoofdlingen waren. Niet onwaarschijnlijk zal toen de Tammingaborg reeds hebben bestaan. In de I5de eeuw vinden wij de Tamminga's als bewoners van de borg. In 1531 is er eene gerechtelijke uitspraak over „Tammingahues to Hornhusum" geschied. De borg werd destijds bewoond door Gert Lewe, zoon van Hermen Lewe en Bawe Tamminga. Bij het vonnis werd bepaald, dat Gert Lewe het huis moest verlaten en afstaan aan Abel Onsta. De borg is echter aan Gert Lewe gebleven en korten tijd daarna opnieuw aan de Tamminga's gekomen. In de voor de Ommelanden zoo moeilijke jaren, gelegen tusschen het verraad van Rennenberg (1580) en de reductie van Groningen tot de Unie van Utrecht (1594), is Tamminga-

Feith, Ommelander Borgen. 11

Sluiten