Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glooiingen — gewoonlijk groen en bruin wonderbare regenboogkleuren en aan den voet van den berg vindt het beekje van Lataniers steeds eene gevulde bron. I )e diepste stilte Iieerscht in dit dal, waar alles in de natuur van rust spreekt. Men hoort er nauwelijks het ruischen der palmen, die op de hoogvlakten groeien en men ziet er hunne slanke stammen, die steeds door den wind worden gewiegd. Het dal wordt door een zacht licht beschenen en slechts tegen den middag schijnt er de zon; des morgens vroeg echter beschijnen hare stralen de hooge toppen en de hoogsten, die uitsteken boven de omringende bergen, teekenen zich af tegen het hemelsblauw, met tinten van goud en purper.

Ik ging zeer gaarne naar dit plekje, waar men een zoo ruim uitzicht en zoo groote eenzaamheid geniet. Op zekeren dag dat ik weder bij een der hutten zat en er de overblijfselen van gadesloeg, kwam een man van hoogen leeftijd voorbij. Hij was gekleed zooals de vroegere bewoners van dit land gekleed gingen, in een kort buis en lange broek. Hij was blootsvoets en leunde op een stok van ebbenhout, zijn haar was sneeuwwit en zijn gelaatstrekken waren edel, schoon eenvoudig. Ik groette hem eerbiedig. Hij groette terug en na mij een oogenblik beschouwd te hebben, trad hij naderbij en kwam uitrusten op het heuveltje waar ik zat. I)oor dit bewijs van vertrouwen aangemoedigd begon ik een gesprek met hem. „Vadertje," vroeg ik, „zoudt gij mij kunnen zeggen aan wie deze hutten hebben toebehoord?" Hij antwoordde: „Mijn zoon, ongeveer twintig jaar geleden werden deze bouwvallige huisjes en dit onbebouwd land bewoond door twee gezinnen die hier hun geluk gevonden hadden. Het is eene aangrijpende geschiedenis, maar wien op dit eenzame eiland kan het verhaal van een paar

eenvoudige menschen belang inboezemen? Wie zou hier, schoon gelukkig, toch eenzaam en arm willen leven? De menschheid wil slechts de geschiedenis kennen der grooten en machtigen dezer wereld, hoewel deze niemand van nutte is." „Vader " hernam ik, „ik heb aan uw uiterlijk en aan uw spreken gemerkt, dat gij veel hebt ondervonden; zoo gij tijd hebt, wees dan zoo goed en vertel mij wat gij weet omtrent de vroegere bewoners van deze woestenij. Geloof mij, zelfs hij die het meest door de vooroordeelen der wereld bedorven is, hoort gaarne spreken van het geluk dat deugd en natuur geven." En hier volgt het verhaal van den grijsaard, nadat hij, als om zich zekere omstandigheden duidelijker voor den geest te roepen, het gelaat een tijdlang in zijne handen verborg: „In 1726 kwam zekere jonge man de la Tour genaamd, op dit eiland om te pogen hier zijn fortuin te maken. In Frankrijk had bij getracht in het leger te treden, vervolgens had hij hulp bij zijne familie gezocht, doch alles tevergeefs. Zijne jonge vrouw die hij teeder beminde en die hem wederkeerig zeer lief had, vergezelde hem. Zij behoorde tot een oud en adellijk, schoon verarmd geslacht, en hij had haar in het geheim getrouwd, daar de ouders zijner vrouw tegen dit huwelijk waren geweest, omdat hij niet van adel was. Hij liet haar achter te Port-Louis en vertrok zelf naar Madagascar, waar hij van plan was eenige slaven te koopen, om vervolgens zoo snel mogelijk naar hier terug te keeren en eene plantage te beginnen. Hij kwam op Madagascar aan in den regentijd, die half October begint; korten tijd na zijne aankomst echter stierf hij er aan de pest, die 6 maanden van het jaar heerscht op Madagascar en die het steeds onmogelijk zal maken voor Europeanen om er zich duurzaam te vestigen. Alles wat hij me-

Sluiten