Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wenschen en zoo schonk zij aan mevrouw de la Tour dat groote geschenk, dat geen rijkdom of aanzien in staat zijn ons te verschaffen. Zij schonk haar eene vriendin. Sedert een jaar reeds woonde juist in dit dal eene jonge, levendige en goedhartige vrouw, Margaretha gehee'en. Zij was in Bretagne geboren en hare ouders waren eenvoudige boerenmenschen die hunne dochter verafgoodden. Zij zou dus zeer gelukkig geweest zijn, zoo zij geen gehoor had geschonken aan de vleitaal van een edelman uit den omtrek, die beloofde haar te zullen trouwen. Toen zijn hartstocht echter bevredigd was, verliet hij haar en weigerde zelfs in het onderhoud van het kind te voorzien, dat /ij onder het hart droeg. Zij besloot voor altijd het dorp waar zij geboren was te verlaten en vluchtte hierheen, om zoover haar slechts mogelijk was, haar schande te verbergen, nu zij haar goeden naam had verloren, den eenigsten bruidschat, dien een arm en eerlijk meisje in het huwelijk mede kan brengen. Hier aangekomen kocht zij van hare laatste spaarpenningen een ouden slaaf, die nu met haar dit stukje land bebouwde. Juist op deze plaats vond mevrouw de la Tour toen zij met hare slavin langs dit hutje kwam, Margaretha, die haar kind zoogde. Zij was zeer verheugd eene vrouw te vinden, die oogenschijnlijk in dezelfde omstandigheden verkeerde als zij zelf.

In weinig woorden legde zij haar haren toestand bloot en vertelde haar heur treurig verleden, haar groot verlies en de moeilijke omstandigheden in welke zij zich nu bevond. Bij het hooren van al wat mevrouw de Ia Tour haar vertelde, werd het medelijdend hart van Margaretha ontroerd en daar zij liever het vertrouwen dan de achting wilde winnen van de jonge weduwe, bekende zij haar openhartig den grooten misstap dien zij had begaan. „Wat mij betreft, ik heb mijn

tegenwoordig leven verdiend, maar gij... zoo rein en goed... en toch ongelukkig!"... Weenend verzocht zij mevrouw de la Tour bij haar te blijven leven. Hoor zooveel vriendschap diep bewogen omhelsde deze haar teeder. „Ood heeft nu een einde aan mijn lijden gemaakt, want Hij heeft in uw hart meer liefde gelegd dan ik ooit bij mijne familie ontmoet heb."

Ik kende Margaretha en ofschoon ik ongeveer anderhalf uur van hier woon, beschouwde ik mij toch als haar buurman. In Europa is het anders; door eene enkele straat of zelfs door slechts een muur van elkander gescheiden, leeren sommige huisgezinnen elkander nooit kennen; hier in de koloniën noemt men zich buren, ofschoon men door wouden en bergen gescheiden is en vooral in dien tijd toen het eiland nog weinig handel dreef met Indië, beteekende „buren-zijn" „vrienden-zijn". De gastvrijheid was toen evenzeer een plicht als een genoegen. Zoodra ik hoorde dat Margaretha eene vriendin bij zich had, ging ik er heen om te zien ot ik haar van dienst kon zijn. Mevrouw de la Tour maakte op mij den indruk eene schoone, edele vrouw te zijn, hoewel haar heele wezen getuigenis aflegde van smart en lijden. Daar zij op het punt stond te bevallen, raadde ik de beide vrouwen aan met het oog op de kinderen en vooral voor het geval dat andere kolonisten zich in de nabijheid zouden komen vestigen, het dal waar zij woonden en dat ongeveer twintig hectaren groot was, tusschen elkander te verdeelen. Zij verzochten mij het te doen en ik maakte er twee bijna gelijke deelen van. Het eene bevatte de hoogvlakte, die ligt tusschen den berg, waar de rivier van Lataniers ontspringt en die spleet die gij ginds ziet en die men het schietgat noemt, wijl zij inderdaad aan een schietgat herinnert. De bodem van die

Sluiten