Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgerust \v;is, mankten /ij van lange varenbladen een soort sandalen om hare gewonde voeten voor de steenen op den weg te beschutten, daar /ij 's ochtends in den haast vergeten had schoenen aan te trekken. Verkwikt en uitgerust ging /ij verder, steunende op Pauls arm.

Zij schreden langzaam voorwaarts, maar door de hooge boomen verloren /ij weldra den berg der Drie Horsten uit het oog en langzamerhand sloegen /ij ongemerkt eene verkeerde richting in; spoedig bevonden zij zich ia eenen waren doolhof van boomen, slingerplanten en rotsen. Paul liet Virginie uitrusten en hijzelf liep rechts en links om een uitweg te zoeken, doch alles tevergeefs. Hij klom in een hoogen boom, in de hoop de Drie Borsten te ontdekken, maar hij zag slechts de toppen der andere boomen, door de avondzon beschenen. De wind ging liggen zooals het dikwijls tegen het vallen van den avond voorkomt; diepe stilte heerschte alom, slechts het schreeuwen van een hert dat zijn nachtverblijf zocht, werd gehoord. Paul riep uit alle macht, hopende dat misschien een jager hem hooien zou: „Help, help en red Virginie!" Doch slechts de echo antwoordde en herhaalde weder en weder: „Virginie!... Virginie!"... Uitgeput en moedeloos zocht de dappere jongen echter nog bladeren en droge kruiden bijeen om het zijn zusje een weinig gemakkelijk te maken voor den nacht en poogde ook iets te vinden, waarmede hij haar honger kon stillen, doch hij vond niets geen water, geen palm oi' pisangboomen, zelfs geen takken om vuur aan te leggen. Toen voelde hij al den omvang van zijne hulpeloosheid en zwakte en begon jammerlijk te weenen. „Ween niet Paul, anders maakt ge mij wanhopig," zei Virginie. „Het is mijn schuld dat gij zoo treurig zijt en ook dat onze arme moeders ongerust /ijn. Men moest eigenlijk niets

doen zonder zijne ouders eerst om raad gevraagd te hebben, niet eens het goede. Wat ben ik toch onvoorzichtig geweest." Doch temidden van haar tranen zeide zij nog: „Wij /uilen tot (iod bidden. Hij /al zich zeker over ons erbarmen."

/ij waren nauwelijks gereed met hun kindergebedje of zij hoorden het blaffen van een hond. „liet is zeker een of andere jachthond," zeide Paul. Het blaffen kwam intusschen steeds naderbij. „.Waar dat is Fidel," riep Virginie uit, „zouden wij zoo dicht bij huis /ijn?"

ken oogenblik later was Fidel inderdaad bij hen, blaffend en springend van blijdschap en een oogenblik daarna verscheen Domingo. Toen zij den trouwen slaat zagen, was de vreugde hun te machtig en barstten zij opnieuw in tranen uit, /onder een enkel woord te kunnen spreken. De oude neger was ook diep bewogen. Toen hij zijne aandoening weder meester was, zeide hij: „Wat hebt gij uwe moeders ongerust gemaakt! en wat waren /ij beangst toen zij thuiskwamen uit de mis, waarheen ik ze vergezeld had en /ij u niet vonden. Marie wist ons niet te zeggen waar gij waart en ikzelt liep rechts en links zonder te weten waar ik u zoeken moest. Eindelijk heb ik uwe kleeren genomen en heb ze Fidel laten besnuffelen, die dadelijk uw spoor vond. Hij heeft mij tot de Rivière-Noire gebracht, waar men mij zeide dat gij daar geweest waart om genade te vragen voor eene arme slavin. Die genade is haar geschonken, maar welk eene genade! Hij toonde haar mij met een ketting 0111 den voet en eene met drie punten om den hals. Toen ben ik Fidel weder gevolgd die mij bracht bij een beekje; daar was nog een smeulend overblijfsel van een houtvuurtje en heeft hij uit alle macht geblaft, en eindelijk zijn wij hier gekomen. Wij zijn vlak bij den berg der Drie Borsten, doch wij

Sluiten