Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd natuurlijk, dan /al hij door middel van den handel spoedig in staat zijn eenigc slaven te koopen en hij zijne terugkomst trouwt hij Virginie; want ik geloot dat mijne lieve dochter met niemand zoo gelukkig zal zijn als met Paul. Wij /uilen er met onzen huurman eens over spreken."

Zij vroegen mij inderdaad om raad 'en ik deelde volkomen hare zienswijze. „De Indische zeeën zijn zeer schoon," zeide ik, „hij goed weder duurt de overtocht niet meer dan hoogstens zes weken. Wij kunnen gemakkelijk eene kleine uitrusting en koopwaar voor Paul bij elkander krijgen, al mijne kennissen mogen hem gaarne. Wij geven hem bijvoorbeeld onbewerkt katoen mede, hier kunnen wij het toch niet gebruiken bij gebrek aan machines om het te bewerken en eene partij ebbenhout en hars. Dit alles wordt in Indië goed betaald en hier hebben wij er toch niets aan." Vóór alles wilde ik echter eerst Paul op de hoogte brengen van onze plannen. Tot mijne groote verwondering antwoordde hij met meer gezond verstand dan men van een jongeling van zijn leeftijd verwacht zou hebben: „Waarom wilt gij dat ik de mijnen verlaat om mijn geluk ergens anders te zoeken? Niets ter wereld brengt meer voordeel dan zijn eigen land te bebouwen en wilt gij handel drijven, welnu, Iaat ons hetgeen wij over hebben naar de stad brengen en daar verkoopen, daarvoor is het toch waarlijk niet noodig, dat ik naar Indië ga. Onze moeders herhalen steeds dat Domingo oud wordt, ik echter ben jong en krachtig. Gedurende mijne afwezigheid zou een van allen iets kunnen overkomen, vooral aan Virginie, die toch reeds lijdende is. Neen, neen, ik kan er niet toe besluiten om uw voorstel te aanvaarden." Juist dat antwoord bracht mij in de grootste verlegenheid, daar mevrouw de Ia Tour mij de gevoelens van Virginie

niet verheeld had. Zij had mij ook medegedeeld, dat zij nog eenigc jaren wenschte te wachten en Paul gedurende dien tijd op eenigen afstand wilde houden. Deze beweegredenen moesten Paul echter onbekend blijven.

Middelerwijl kwam een schip uit Frankrijk aan dat een brief voor mevrouw de la Tour meebracht. Hij was van hare tante. Zij voelde zich rliet wel en de vrees voor den dood scheen haar een weinig zachter gestemd te hebben. Zij verzocht hare nicht naar Frankrijk terug te keeren. Was zij echter zelve te zwak om eene zoo lange reis te ondernemen, zoo gelastte zij haar Virginie te zenden. Het meisje zou eene fatsoenlijke opvoeding genieten, een goed huwelijk aan het hot kunnen doen en tot hare eenigste erfgename benoemd worden. Om dit alles te verwerven werd echter stipte gehoorzaamheid aan hare bevelen verlangd.

Deze berichten hadden eene zeer verschillende uitwerking op de aanwezigen, Domingo en Marie begonnen bitterlijk te weenen, Paul stond sprakeloos van woede, Virginie keek hare moeder vragend aan. „Zoudt gij ons kunnen verlaten?" vroeg Margaretha. „Neen, neen," antwoordde mevrouw de la Tour, „ik zou het niet kunnen, ik heb met u geleefd en bij u wil ik sterven, want slechts bij u ben ik gelukkig geweest. Ben ik zwak en ziekelijk, zoo is dat de schuld mijner familie, zij hebben mij door hunne hardvochtigheid gebroken. Doch in deze eenvoudige en hartelijke omgeving heb ik meer geluk gevonden dan ik ooit te voren ergens anders mocht smaken." Allen weenden van blijdschap bij het hooren dezer woorden. Paul sloot mevrouw de la Tour in zijne armen en sprak: „Ik verlaat u ook niet en ga niet naar Indië. Wij zullen alle tezamen voor u werken, lieve moeder en het zal u bij ons nooit aan iets ontbreken. Zij, die het minste

Sluiten