Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en laat uwe familie een weinig slapen. Het is laat reeds, bij middernacht. Zie, de avondster staat reeds aan den horizon."

Zonder verder een woord te spreken ging hij mee en na een zeer onrustigen nacht te hebben doorgebracht, stond hij bij het krieken van den dag op en keerde huiswaarts. Het eerste wat Paul zag bij zijne thuiskomst was Marie, die vanaf een hoog rotsblok naar de zee staarde. „Waar is Virginie?" riep hij haar toe. Marie wendde het hoofd naar haren jongen meester en barstte in tranen uit. Buiten zichzelf van angst liep Paul naar de haven en daar vernam hij dat Virginie reeds eenige uren geleden vertrokken was en dat men het schip nog nauwelijks in de verte kon onderscheiden. Zonder eene enkele klacht te uiten keerde hij ' naar de hutten terug.

Langs eenige zeer slechte en rotsachtige paden bereikt men dien hoogen top, dien men den Duim noemt. Aan den voet van dezen berg bevindt zich als het ware een voorplein met boomen begroeid, maar zeer moeilijk te bereiken, daar het van alle kanten met diepe afgronden en kloven omringd is. Verscheidene beken ontspringen op dezen berg en storten zich van zulk eene duizelingwekkende hoogte naar beneden, dat men, staande op den top, het water niet weder hoort ploffen. Van deze hoogte overziet men een zeer groot gedeelte van het eiland met zijne bosschen, heuvels en bergen, waaronder den Pieter-Booth-berg en dien der Drie Borsten. Voorts overziet men de zee met het eiland van Bourbon, dat veertig mijlen westwaarts ligt. Op dezen berg ontdekte Paul het schip waarop Virginie zich bevond. Het was reeds meer dan tien mijlen van het eiland verwijderd en men kon het slechts als een zwart stipje onderscheiden, midden in den oceaan. Uren lang bleet 'Paul onbeweeglijk naar dat stipje staren en bet was reeds lang uit

het gezicht verdwenen toen hij nog immer meende het te zien en daar bleef zitten onder de palmboomcn wier toppen door den wind licht bewogen werden. Hun zacht ruischen doet aan de tonen van een orgel denken en stemt onwillekeurig tot droefheid. Zoo vond ik Paul, het hoofd tegen de rots geleund, deoogen naar zee gericht. Sinds het aanbreken van den morgen reeds zocht ik hem. Met moeite bewoog ik hem huiswaarts te kecren en zijne moeders op te zoeken. Zoodra hij mevrouw de la Tour gewaar werd, overstelpte hij haar met verwijten hem bedrogen te hebben. Deze echter deelde ons het volgende mede. Toen tegen den ochtend de wind opgekomen was en het schip onder zeil zou gaan, was de gouverneur, door den missionaris vergezeld, Virginie met eene draagkoets komen halen. Ondanks hare tranen en die harer dochter hadden zij het meisje halt stervende medegenomen. „Had 'ik tenminste afscheid van haar kunnen nemen," sprak Paul, „dan zou ik nu veel rustiger zijn. Ik zou haar gezegd hebben . „Vergeet mij, Virginie, wanneer ik u door eenig woord gekwetst heb en zeg mij, voor gij mij verlaat, dat gij mij vergeeft en daar ik niet het geluk mag smaken in uwe nabijheid te leven, welnu, vaar¬

wel Virginie, wees gelukkig zonder mij. Toen hij zijne moeder en mevrouw de la Tour zag weenen, vervolgde hij: „Zoekt nu zelf iemand die uwe tranen droogt," en zuchtend verwijderde hij zich. Hij bezocht alle lievelingsplekjes van Virginie. „Wat wilt gij?" vroeg hij aan de geiten en de bokjes, die hem blatend volgden, „haar, die steeds bij mij was, zult gij toch niet meer zien." Hij ging naar Virginie's rustoord en bij het zien der vogeltjes die rondfladderden, sprak hij treurig: „Gij arme vogels gij kunt haar niet meer tegemoet vliegen," en tot Fidéle, die snuffelend rondliep, zeide

Sluiten