Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bootnen niet tot hunne volkomen ontwikkeling kunnen komen omdat zij te veel in de schaduw staan der grooten. Doch de vergelijking gaat niet geheel op: een tuin kan met louter hooge boomen zeer schoon zijn, de welstand van een staat echter hangt niet slechts af van een aantal aanzienlijken, er moet steeds gelijkheid heerschen onder zijne onderdanen."

Paul: „Maar waarom is het dan noodzakelijk dat men rijk is om te kunnen trouwen?"

De grijsaard: „Opdat men zijn leven in overvloed en traagheid kan doorbrengen."

Paul: „Waarom wil men niet werken, ik werk toch ook?"

De grijsaard: „Wijl in Europa de handenarbeid als onteerend wordt beschouwd. Hij die den grond bebouwt wordt veracht, een handwerksman wordt reeds meer geacht dan een landbouwer."

Paul: „Wordt de schoone kunst die de menschheid voedt in Europa veracht? Dat kan ik niet begrijpen!"

De grijsaard: „Hij die te midden der natuur is opgegroeid, kan onmogelijk de verdorvenheid der tegenwoordige maatschappij begrijpen. Men kan zich wel de orde, doch niet de wanorde voorstellen.'

Paul: „De rijken moeten dan wel gelukkig zijn. Niets staat hun in den weg en zij kunnen zich alles verschaffen en veroorloven."

De grijsaard: „Juist doordat 'zij zich alle vermaken zoo gemakkelijk kunnen verschaffen, zijn zij door die vermaken zelf, door hunne uitspattingen ontzenuwd en afgestompt. Slechts na den arbeid, weten wij de rust te waardeeren; het eten smaakt ons slechts wanneer wij honger hebben. Welnu, evenzoo is het met het beminnen gesteld, wij moeten het door lijden en ontberingen verdienen en verwerven kunnen. Dit alles kent de

rijke niet; bij de verzadiging die op elk overvloedig genot volgt, voegen zich nog al die kleine verwondingen, die hunne eerzucht steeds worden toegebracht. De geur der rozen verblijdt ons slechts korten tijd, terwijl de smart die ons hare doornen veroorzaken, nog lang gevoeld wordt. Voor de rijken is een verdriet gelijk een doorn te midden van vele bloemen, voor de armen echter is het minste geluk reeds eene bloem tusschen de doornen. Wat brengt naar uwe meening meer geluk aan, niets te hopen en alles te vreezen te hebben ot niets behoeven te vreezen en alles te inogen hopen? Het eerste is het geval bij de rijken, het tweede bij de armen. Beide uitersten zijn echter moeilijk te verdragen, daar de mensch de middelmatigheid en de deugd noodig heeft om waarlijk gelukkig te leven."

Paul: „Wat bedoelt gij met deugd?"

De grijsaard: „Aan u die uwe familie door uwen arbeid onderhoudt, behoeft men waarlijk niet te verklaren, wat de beteekenis van het woord „deugd" is. Elke poging, die wij doen om God welgevallig te zijn en onze naasten gelukkig te maken, is „deugd."

Paul: „Dan bezit Virginie de ware deugd, want die heeft er haar toe gedreven rijk te willen worden, teneinde anderen te kunnen helpen. De deugd heeft haar dit eiland doen verlaten, de deugd zal haar weder terug brengen."

Het vooruitzicht harer terugkomst verdreef alle treurigheid bij Paul. Had zij niet geschreven, dan kwam dit doordat zij terugkeerde en bij zulken voorspoedigen wind zou de reis niet lang duren. Hij noemde ons de schepen die in minder dan drie maanden den weg hadden afgelegd. Zeker zou het schip waar zij op was, niet langer dan twee maanden noodig hebben, tegenwoordig waren de scheepsbouwmeesters zoo bekwaam en

Sluiten