is toegevoegd aan uw favorieten.

Paul en Virginie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaslen wal afgelegd had, dat ile ankergrond daar zeer goed was en dat het schip daar even veilig was als in de beste haven. „Ik zou er alles op durven wagen," zeide hij, „en zou op het schip even rustig slapen als aan land." Een derde weder beweerde dat het schip zich onmogelijk in dat kanaal kon bevinden; hij had gezien hoe het zijn anker aan gindsche zijde van het eiland Ambre had laten vallen, zoodat het zoodra de wind opkwam, óf het ruime sop kon kiezen öf de haven binnenloopen. En zoo zeiden allen iets; Paul en ik zwegen echter, hieven daar tot het aanbreken van den dag; het was echter onmogelijk iets op zee te onderscheiden, daar een zware nevel was opgekomen; al wat men zag was slechts het uiteinde van het havenhoofd waarop wij ons bevonden en eenige bergtoppen die nu en dan tusschen de wolken zichtbaar werden. Tegen zeven uur hoorden wij in het woud het roffelen van trommen. Het was de gouverneur, de heer de la Bourdonnaye, die met een detachement soldaten aan het strand kwam, gevolgd door eene groote menigte van menschen. Hij plaatste zijne soldaten in peleton en gelastte hun allen gelijktijdig te vuren. Onmiddellijk werd door een kanonschot geantwoord, zoo dicht nabij dat wij daaruit opmaakten, dat het schip zich in de onmiddellijke nabijheid moest bevinden; allen ijlden in de richting vanwaar het schot gekomen was. Trots den nevel konden wij thans de ra van een groot schip onderscheiden en het was zoo weinig van ons verwijderd, dat wij duidelijk het fluitje van den commandant vernamen, die den manschappen bevelen gaf, en een driewerf geroep „Leve de Koning!" In alle groote gevaren, zoowel bij gelegenheid van groote vreugde is dit bij uitnemendheid de kreet der Franschen, alsof zij, zelfs wanneer het gevaar het grootst is, hunnen koning

willen bewijzen dat zij bereid zijn voor hem te sterven.

Van het oogenblik af dat de Saint-Oéran bemerkte dat wij pogingen in het werk stelden om haar te hulp te komen, lostte het schip alle drie minuten een kanonschot. De gouverneur liet groote vuren aanleggen en zond de bewoners uit om planken, touwen en leege vaten te halen. Weldra keerden zij met hunne slaven terug met levensbehoeften en al wat men wellicht noodig mocht hebben. Een der oudsten naderde den gouverneur en zeide;

„Den ganschen nacht heeft men een dof rommelen in de bergen gehoord, de bladeren der boomen bewogen zich zonder dat er de minste wind was, de zeevogels verscholen zich in de spleten der rotsen, al deze teekenen zijn voorboden van eenen hevigen storm."

„Welnu, vrienden," antwoordde de heer de la Bourdonnaye, „wij hebben onze maatregelen genomen en net scheepsvolk hoogstwaarschijnlijk ook."

Inderdaad stak er een hevige storm op; de wolken waren angstwekkend zwart, de lucht weerklonk van het geschreeuw der fregatvogels, van den stormvogel en de andere zeevogels die eene schuilplaats in de rotsen kwamen zoeken. Tegen negen uur hoorde men ontzettende geluiden, alsof stroomen water van de hooge bergen neerploften, vermengd met het gerommel van den donder. Als één schreeuw weerklonk uit alle kelen: „de storm komt op!" De wind die plotseling met alle geweld opstak, veegde in een oogwenk den nevel weg. Nu konden wij de „Saint-Oéran" zien; het scheepsvolk en de passagiers stonden allen op dek; de ra, de voor- en boegmast waren neergehaald en de vlag was halfstok geheschen. Hij had het anker laten vallen tusschen het eiland Ambre en 1'Ile de France, doch op eene hoogte waar nog nimmer een schip had kunnen