Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zijn vaste planten, er) voor welke öoeleinöeo woröeo ze gebruikt.

Onder vaste of overblijvende planten verstaan we die, welke jaarlijks tot den grond afsterven, om in 't voorjaar weer uit onderaardsche deelen te ontspruiten. Het zijn dus kruidachtige gewassen, die ieder jaar van zelf weer voor den dag komen.

Enkele zijn in 't bezit van bollen of knollen, de meeste ontspruiten elk voorjaar uit een kort onderaardsch stengeldeel, den stengelvoet, anderen uit een wortelstok.

We onderscheiden, naar de groeiplaats, alpen of rots , landmoeras- en waterplanten. Ze groeien op klei, in 't veen of op het zand. Men onderscheidt nog voorjaars- zomer- herfst- en winterbloeiers. De meeste houden van eene zonnige plaats, niettemin kunnen we nog vele aanwijzen, die op beschaduwde plaatsen groeien. We treffen er ook slinger- en klimplanten bij aan. In dit boekje zullen meer speciaal de landplanten worden behandeld. De water-moeras-klim- slinger- en rotsplanten, bol- en knolgewassen zullen in andere werkjes worden beschreven.

De vaste planten zijn met succes te gebruiken ter aanplanting op gemengde rabatten (zie figuur 1), tusschen en voor boomen heestergroepen. De grootste zijn fraaie gazon- of solitairplanten, de kleinste zouden voor randen in aanmerking kunnen komen.

Voor perken zijn ze, wegens haren veelal korten bloeitijd, minder geschikt; tenzij men ze in potten kweekt en slechts tijdelijk in den siertuin plaatst.

Vele vaste planten leveren prachtig materiaal voor bloemwerken.

Enkele, zooals de Sedum- en Sempervivum soorten (vetplanten) zijn ook geschikt voor mozaïkperken.

De meeste overblijvende planten, die onze kweekers aanbieden, zijn in ons land winterhard, eenige moeten echter iu 't najaar worden gedekt, willen ze de wintermaanden goed doorkomen.

Algeroeeoe kweekwijze.

Vaste planten worden ter plaatse gezet, even voor ze in rust gaan, of als ze weer beginnen te werken. Voor de gewone soorten zullen daarvoor dus aangewezen zijn de maanden September, October, Maart, April. Plant men ze te iaat, zoodat ze vóór sterke vorst of droogte intreedt, niet meer kunnen aanwortelen, dan zullen vele exemplaren bevriezen of verdrogen.

Door bijzondere omstandigheden te laat gepote vaste planten kunnen nog gered worden, door den grond na 't poten met blad, langen mest of mos te bedekken. Dat materiaal zal de grootste kou weren of beletten dat de aarde uitdroogt. De grond moet, vóór het poten .van de meeste vaste planten, ter dege worden bemest. Men dient de planten voor meerdere jaren voedsel mee te geven, ze blijven toch veelal meerdere jaren op dezelfde plaats staan. Geef ze overigens, als ze gezond zijn, eene geregelde jaarlijksche bemesting. Voor de meeste soorten zal het najaar daar het geschikst voor zijn. Compostaarde, vergane mest, thomasslakkenmeel, patent-kali zullen daar het meest voor in aanmerking komen.

Schaduwplanten zullen zich in den regel zelf helpen, doordat de afgevallen bladeren van boomen en struiken, waaronder ze groeien, jaarlijks eene mooie huniuslaag vormen. Hoogopgroeiende, zooals de Delphinium (fig. 3), moet men vroegtijdig aan-

Sluiten