Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaag. Daarom worden ze zoodanig aangelegd, dat ze in het midden iets hooger zijn dan aan de kanten, zoogenaamd tonrond dus, terwijl ze met een flinke laag zand, fijn grint of schelpen worden gedekt. Waar men ze daarbij een verloop kan geven, dat eenigszins overeenkomt met de helling van den tuin, daar zal men nimmer stof tot klagen hebben.

Bij het gebruik van run houde men in het oog, dat deze bijzonder vochthoudend is, zoodat men ze bij een natte grondgesteldheid niet gebruiken kan.

Fijn grint en schelpen zijn in alle gevallen het beste materieel voor natte gronden. Men denke er evenwel aan, niet te veel op eens te strooien. Het wil zich dan niet met den ondergrond verbinden. Eerst moet het vorige goed ingestampt of ingetreden zijn, eer men er weer nieuw over heen strooit.

Een voorbeeld van noodelooze versnippering, met paden zonder een bepaalde bestemming.

l'aden van steenkoolsintels zijn bijzonder vast en droog, maar uit een schoonheidsoogpunt niet aan te bevelen.

Aan het schoonhouden der paden dient steeds de noodige aandacht geschonken te worden. Met gras begroeid, geven ze den indruk van verregaande slordigheid. Daarom moeten ze minstens elke week éénmaal geschoffeld en weer aangeharkt worden. Waar grint of schelpen gestrooid is. wordt het schoffelen door wieden vervangen Vooral het aanharken geeft er het voorkomen van netheid aan.

Sluiten