Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dak voor een prieeltje gebruikt; die niet een eenzijdige kroon, vooral de treurberk en de treurwilg, komen aan den kant van het water het voordeeligst uit. Van de kleinere noem ik alleen den treur Goudenregen en de treurkers, die door hun gematigden groei ook voor kleinere tuinen heel goed te gebruiken zijn.

De reeks is hiermede nog volstrekt niet ten einde, doch ik noemde er slechts enkele, om er de aandacht op te vestigen.

Boomen planten. Zoodra het blad afgevallen is, is het de beste tijd, om boomen te planten en te verplanten. Zij wortelen dan vóór den winter nog aan en ondervinden zoodoende in den loop van den volgenden zomer de minste stoornis in hun groei. Bij het rooien zorge men. dat de wortels zoo min mogelijk geschonden worden; men snijde er niet meer af dan dringend noodzakelijk is. Nimmer snoeie men ze overeenkomstig de grootte van het plantgat, maar dit laatste worde geregeld naar de lengte en den omvang der wortels. De kroon wordt een weinig uitgedund of de takken worden tot op een lagere vertakking ingekort, waarbij evenwel de algemeene vorm van de kroon behouden moet blijven.

Ken plantgat van een meter in het vierkant en een halven meter diep is meestal wel voldoende. De grond daaruit wordt eerst met goed verteerde koemest of compost vermengd, voordat ze bij de planting weer gebruikt wordt. Is die grond niet al te best, dan verdient het aanbeveling, ze door goeden tuingrond te vervangen. Het plantgat wordt er grootendeels weer mee aangevuld. Daarna wordt de boom er op geplaatst. Deze boom komt even hooger te staan dan hij in de kweekerij gestaan heeft. Dat is noodig, omdat de grond in het plantgat later altijd nog iets zakt, zoodat hij ten slotte op de goede diepte komt te staan. Rij het planten houdt iemand den stam vast, terwijl een ander zorgvuldig de wortels uitspreidt, in dezelfde richting, als zij vroeger volgden. Daarna wordt er de noodige hoeveelheid fijn verkruimelde aarde tusschen gestrooid, die met water ingespoeld en langzamerhand aangevuld wordt. Vooral met het water zij men niet te spaarzaam. Ten slotte wordt er wat droge grond over uitgespreid, die nu, van den stam naar den omtrek gaande, stevig aangetreden wordt. Zoo komt de boom vast genoeg te staan, om niet te vallen. Doch tegen den stormwind is hij nog niet bestand. Daarom wordt er een paal bij geplaatst, die het scheef waaien voorkomen moet. Om bij het inheien van dezen paal geen wor-

Sluiten