is toegevoegd aan uw favorieten.

Onze tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Kamperfoelie leent zich uitstekend tot het bekleeden van niet te hooge prieeltjes Vooral bij avond en bij nacht vervullen hare welriekende geuren de lucht Heel wat langtongige sphinxen kan men er dan voor zien zweven. Jammer, dat de planten van onder spoedig kaal worden. Zooveel mogelijk moet men dat door het behouden van jong opslag trachten te voorkomen of door eenige voorplanting trachten te maskeeren. De Lonicera brachypoda aurea reticulata is een heel mooie verscheidenheid met roode stengels en goudgeel geaderd blad.

De Clematis' munt uit door haar buitengewonen bloemenrijkdom. Dekken doet ze niet veel en schaduw geeft ze nog minder, maar in vereeniging met andere, bladrijker klimplanten toont ze, welk een afwisseling ze aan het tafreel schenken kan. Het liefst staat ze op het Zuiden. Ook met een plaatsje op het Z O. of Z.W. stelt ze zich tevreden, maar op het Noorden bloeit ze volstrekt niet. Een weinig korte mest rondom haar voet, die den grond vochtig houdt en haar gestadig van nieuw voedsel voorziet, doet haar buitengewoon welig groeien

De donkerblauwe Jackmanni is wellicht de schoonste van alle. Door een doelmatige keuze der soorten kan men gedurende den ganschen zomer van den bloei profiteeren.

Het is uit het voorgaande duidelijk geworden, dat van de klimplanten de Klimop, de Wilde wingerd en de Duitsche pijp hun waarde vooral ontleenen aan hun prachtig blad, de overige hoofd-

zakeliik aan hun bloem.

Geen enkele muurvlakte is voor den plantengroei in zulk een ongunstige conditie als de Noordmuur. Gedurende een groot deel van den'dag wordt hij in het geheel niet door de zon beschenen en alleen gedurende het zomerhalfjaar krijgt hij de morgen- en avondzon. Toch willen daar nog wel klimplanten groeien. De Klimop, de Duitsche pijp en de Kamperfoelie komen daarvoor in de eerste plaats in aanmerking.

In het hoofdstuk over de rozen zullen de Klimrozen afzonderlijk besproken worden.

Vaste planten. Onder vaste planten verstaat men dezulke, die iederen herfst tot op den grond afsterven, doch in het volgende voorjaar weer uitloopen Zij bezitten een onderaardsch gedeelte, dat gedurende den barren wintertijd in het leven blijft. En juist daardoor vereischen ze zoo weinig zorg. Heeft men ze