Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds half April in potten leggen, die voor een raam op het Zuiden staan. De jonge plantjes worden dan omstreeks half Mei naar buiten gebracht. In allerlei vorm en grootte treft men de vruchten aan: als een flesch en als een Turksche muts, als een knots en als een regenscherm, als een appel en als een peer, als een ei en als een sinaasappel, om van de vele tusschenvormen maar niet te spreken.

Siergrassen en Immortellen. De siergrassen en immortellen nemen in den tuin een heel bijzonder plaatsje in. Men kweekt ze niet zoozeer voor den zomer, als wel om er aardige winterbouqetten van samen te stellen. Daartoe snijdt men de halmen van de siergrassen af, voordat zij tot rijpheid gekomen zijn en de bloemen in het begin van den bloei. Men bindt ze aan kleine bosjes, met het draadje om het ondereinde der stengels gewonden, opdat de aren en bloemen elkander niet drukken. Zoo worden ze op een droge, donkere en stofvrije plaats te drogen gehangen, met den top naar omlaag. Hier blijven ze, totdat men ze voor het verwerken tot bouquetjes gebruiken wil. Vooral de immortellen vragen in den tuin een zonnig plekje. Men zaait ze op het laatst van April of in het begin van Mei. De Elichrysmn monstrosum is een heel mooie, met groote bloemen, die in verschillende kleuren voorkomen. De Ammobium alatuvi grandifi. met hare witte bloempjes moet tijdig afgesneden worden, omdat ze gesloten mooier is dan geopend. De Rhodantlie in hare verschillende kleuren is altijd mooi, onverschillig, of ze geopend of gesloten is. De Acroclinum in het rood en wit, de Gomphrcna in het violet en geel. de Xeranthemum in het wit en purper en andere meer, ze zijn alle bijzonder schoon.

Van de siergrassen zijn in het bijzonder de Agrostis, Avena, Briza, Bromus, Eragrostis, Hordeuvi, Lagurus, Pennisetum en Setaria gemakkelijk te kweeken. Zij worden tegelijk met de immortellen uitgezaaid en hoewel ze gaarne de volle zon hebben, stellen ze zich toch ook met een minder plekje tevreden. Men zaait ze bij voorkeur op rijen, waartusschen over het algemeen een afstand van 15 a 20 c.M. ruim voldoende is.

Oeverbeplanting en waterplanten. Ongetwijfeld is weinig meer in staat om de schoonheid van een tuin te verhoogen, dan een vijver of een breede gracht, die hem begrenst. Het water heeft altijd iets aantrekkelijks en waar men zich op een zoelen zomeravond eens in het gras gaat nederzetten, daar laat men bij

Sluiten