is toegevoegd aan uw favorieten.

Onze tuin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun vruchten zijner kleiner van stuk. De Sint Joseph en de Saint Antoine de Padoue zijn een paar van de beste; zij brengen zelfs tot in November nog vruchten voort.

Wie eens vroege aardbeien eten wil, die zette om een gedeelte van zijn bedje een koud bakje heen, zooals dat hiervoren beschreven werd. De Laxton's noble is hiervoor bijzonder geschikt. Bij warm zonnig weer mag het luchten niet vergeten worden.

Andoorn. In vele tuinen is de Japansche andoorn nog een onbekende. Men plant ze in Maart, 3 a 4 knolletjes bijeen, in putjes ter diepte van 5 c.m., op een onderlingen afstand van 30 c.m , dus vier rijen op een bedje van 1.20 M. In Aug. begint men ze te oogsten, telkens zooveel, als men denkt noodig te hebben. In den winter dekt men den grond met wat stroo of met langen mest, teneinde er altijd bij te kunnen komen. Kr blijven in den herfst genoeg kleine knolletjes in den grond, om het volgende jaar weer een ruimen oogst te geven. Doch op deze wijze krijgt men wel vele, maar betrekkelijk kleine knollen. Men doet daarom het beste, met ieder jaar weer een nieuw bedje aan te leggen. Van het oude bed worden alle knolletjes zorgvuldig verzameld, omdat ze zich anders als onkruid zullen vermenigvuldigen. Na de planting wordt de grond stevig aangedrukt.

Andijvie: Zomerandijvie. Voor zomerandijvie teelt men in hoofdzaak twee soorten: de vroege krop- en de fijne krulandijvie. Opdat ze spoedig voor het gebruik gereed zullen zijn en tevens om er voor te waken, dat er niet te veel planten doorschieten, zorgt men zooveel mogelijk voor een snellen en onafgebroken groei. Daartoe zaait men niet te vroeg, althans niet voor het begin van Mei, geeft aan de planten een bijzonder vruchtbaar bedje, legt de zaden onmiddellijk ter plaatse, waar de planten hun vollen wasdom zullen bereiken en verzuimt * in droge tijden het gieten niet. De zaden, telkens 4 a 5 bij elkander, worden in ondiepe kuiltjes gelegd, 30 c.m. van elkander, zoodat er vier rijen komen op een bedje ter breedte van 1.20 M. Van de opgekomen plantjes blijft alleen het krachtigste behouden. De andere worden bij den grond afgesneden en niet uitgetrokken, omdat men daardoor allicht het wortelgestel van het overblijvende beschadigt. Het beste is het eigenlijk, ze in een warm bakje te zaaien en ze daarna eenige keeren te verplanten Zoodra de planten een aardig kropje gevormd hebben, worden de bladeren bij elkaar gebonden, opdat