Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die men teelt. Men legt ze bij zacht weer in de eerste helft van Mei, drie rijen op een bedje ter breedte van 1.20 M. met een onderlingen afstand van 15 c.M. in de rij. Omdat de wortels fijn vertakt zijn en den grond niet diep ingaan, dient men met het schoffelen en wieden voorzichtig te zijn. Het aanaarden van de planten is bijzonder aan te bevelen.

In het begin van September beginnen de zaden te rijpen. De gele peulen worden dan aan lange draden geregen en in de zon of in de keuken te drogen gehangen. Ook wel worden de planten in hun geheel opgetrokken en op kleine hoopjes gelegd, om zoodoende in de zon te drogen. Men is dan meer dan bij de eerste handelwijze van het weer afhankelijk. Vroeg geplukt, kunnen de jonge peulen zeer goed als prinsesseboonen gegeten worden.

Boonen: Stamprinsessen. Prinsesseboonen, slaboonen en spersieboonen, het zijn alle dezelfde. De vroege soorten kan men bij goed weer op het laatst van April op een warm en zonnig bedje beginnen te leggen. Met de andere wachte men minstens tot het begin van Mei. Zelfs in het begin van Juli is het nog niet te laat. Men legt drie rijen op een bedje ter breedte van 1.20 M. met een afstand van 30 c.M. in de rij, telkens twee boontjes bij elkaar. Kou en regen doen de boonen verrotten en de planten kwijnen. Bij ongunstig weer doet men dus beter, het leggen nog wat uit te stellen. De vroege citroengele is een goede vroege soort, de gewone dubbele komt wat later, maar geeft een groote opbrengst, de dubbele zonder draden is minder goed tegen het weer bestand, maar heeft het voordeel, dat ze slechts weinig draden heeft.

Boonen: Stamsn ij boonen. Met het leggen der stamsnijboonen wacht men eveneens tot het begin van Mei. Ook voor deze is het in het begin van Juli nog niet te laat. Men legt drie rijen op een bedje ter breedte van 1.20 M. met een afstand van 30 c.M. in de rij, telkens twee zaden bij elkaar. De gewone breede is een heel goede soort, die een groote opbrengst geeft.

Over het algemeen mag de grond voor de stamprinsessen en de stamsnijboonen niet te vruchtbaar zijn. Ze geven anders wel veel blad. maar slechts weinig bloem en vrucht.

Boonen: Stokprinsessen. De stokprinsessen verlangen een bijzonder vruchtbaren grond. Geen wonder trouwens 1 Ze moeten een hoogte van 3 a 4 M. bereiken. Als men dit in het oog houdt en daarbij de uitgave aan stokken in rekening brengt, dan zal

Sluiten